struikelstenen (1)

Een paar weken geleden nodigde een herinnering me uit om terug te keren. Naar een plek, een deel van mijn leven, waar ik liever bij uit de buurt blijf, niet aan denk, geen ruimte voor heb op dit moment. Waar ik niet op mijn best was, soms zelfs niet veilig. Waarvan ik blij ben dat ik er weg ben, omdat het me teveel kostte. Tegelijkertijd: ik zou er met liefde naar terugkeren, als de omstandigheden van mijn vertrek ook teruggedraaid konden worden. De vrouw die ik nu ben zou er anders mee omgaan. Het lullige met dat soort dingen: ik ben zo geworden juist omdat de zaken niet teruggedraaid kunnen worden.

Voor zover het cryptische deel. Tussen 2012 en 2018 woonde ik in Sliedrecht, hartje bijbelbelt, met mijn lieftallige echtgenoot. Daar schreef ik gedichtjes voor de lokale krant. Ik schreef er eentje over de Stichting Struikelstenen aldaar, werd gevraagd voorzitter te worden, ik accepteerde, mijn lieftallige echtgenoot ging dood en ik verhuisde naar ‘s-Hertogenbosch. De stichting vroeg niet of ik voorzitter wilde blijven, ze hadden er meer dan alle begrip voor dat ik zo snel als ik maar kon alle bruggen wilde verbranden en zadelden me niet op met de vraag. Ik vertrok naar het zuiden. Naar huis. Alleen.

En toen kwam de uitnodiging. Van de stichting. Twee of drie weken geleden. De laatste twee stenen worden gelegd, waarvan een van de twee stenen voor de jongen is voor wie ik toentertijd dat gedichtje schreef. Waarmee alles begon. Cornelis de Rek. 22 jaar. Wiens snoetje net iets teveel op dat van manlief lijkt. Het gedichtje dat me in contact bracht met de stichting. Het snoetje dat me in alle jaren daarna nog wel eens aankeek op een onbewaakt ogenblik. Dat beide jongens dezelfde naam droegen maakte het toen al schrijnend, inmiddels heb ik moeite met slikken als ik naar de foto kijk. Beide snoetjes zijn er niet meer en ik ben gevraagd dat gedichtje voor te dragen. Het gedichtje dat ik schreef toen manlief nog leefde. ‘Ik hou hem stevig vast,’ schreef ik toen. In de tegenwoordige tijd. Ik accepteerde de uitnodiging.

Begin vorige maand hield mijn telefoon ermee op, ik ging naar de telefoonwinkel voor een nieuwe. Ze konden de foto’s redden, de what’sapp-berichtjes niet. Ik moet wennen, het is een ander merk, alles zit op een vreemde plek. Het ziet er anders uit. Voelt anders. Inmiddels, vandaag, is de eerste update geweest en wat denk je? Ik moet hem opnieuw opstarten, maar ik ben het wachtwoord kwijt. Het zit in een doosje, ik kan het doosje niet vinden. Een dag voor het leggen van de laatste struikelstenen. S t r e s s jongûh. Heb het hele huis overhoop gehaald, ieder kastje, ieder tasje doorzocht. Laatjes, onder de bank, tussen de Russen. Niks. En ik leg me erbij neer: morgenochtend sta ik -zodra de telefoonwinkel opengaat-, voor de deur. In mijn nette voordrachtskleding, zonder make-up. For obvious reasons.

Toen ik nog met hem samen was, in levende lijve, het leven voor 2018, was ik best vaak dingen kwijt. Ons leven was niet makkelijk, ik verloor vaak grip vanwege slapeloze nachten, dagen vol stress en vooral om de zorg om hem. Die als dun zand, mijn brein kon dingen niet ordenen. Schrijven hielp een beetje, maar het was dichten met de kraan open. Hij stierf, ik stierf gezellig met hem mee, verhuisde en orde sloop erin. Omdat, dat geloof ik echt, de natuur van oorsprong uit orde bestaat. Kijk maar naar al die mooie vormen van blaadjes en de gang van de sterren, luister maar naar de muziek van Bach of McCartney, maar ook omdat ik niet anders kon. Orde moest. Punt. Ik schreef, mijn brein plooide zich rond zijn dood, maakte het eigen, mijn longen en hart pasten zich aan en ik raakte dingen niet meer kwijt, ik wist gewoon even niet waar ze lagen. Niks aan de hand. Tot vandaag. Ik heb kleren gekocht. Kleren met kleur. Een blauwe pantalon en een hagelwit bloesje onder een -nou vooruit dan- zwart vest. Met een blauwe bloem erop. Alles ligt klaar. Alles is (in) orde. Ik kan alleen niet op mijn telefoon. En ik kijk naar de ingelijste pentekening van mijn lieftallige echtgenoot recht tegenover me. Hij loert naar me met die rotgrijns van hem. Wetend dat ik niemand kan bellen, niemand kan bereiken. ‘Dichten jij.’ ‘Ja mop.’

Morgen, om 14:00 zal er een steen gelegd worden voor Cornelis de Rek. In de Joost van den Vondelstraat.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *