sprookje

Er was eens een fabriek. Een kleine fabriek. Het was geen unieke fabriek, er waren meerdere fabrieken verspreid over het land. Grote fabrieken, kleine fabrieken, doorsnee-fabrieken. Drukke fabrieken, rustige fabrieken. Fabrieken met veel personeel, fabrieken met weinig personeel. Dit verhaal gaat over een fabriek met negen vrouwen. De ene vrouw kon het ene heel goed, de andere vrouw kon het andere heel goed, ieder had zo haar eigen talent en zo kwam het dat alles altijd goed verliep in die kleine fabriek. Zo goed dat de fabriek eigenlijk een fabriek was voor vijftien medewerkers, maar met z’n negenen rooiden ze het prima. Zo goed dat er soms vanuit andere fabrieken personeel naar deze fabriek gestuurd werd om opgeleid te worden.

Op een dag werd er een tiende vrouw naar de kleine fabriek gestuurd. De tiende vrouw werkte nog maar net in een andere fabriek, maar daar hadden ze geen tijd om op te leiden, dus kwam ze naar de kleine fabriek. Waar ze meteen de humor begreep van de negen vrouwen. Wat wonderlijk was, want meestal hielden de negen vrouwen zich de eerste week in, maar na verloop van tijd konden ze hun buiken niet meer inhouden en kwam alle humor er als knetterende scheten uitgerold. Er werd regelmatig gedanst, er werd regelmatig gezongen en er werd dus ook HEEL regelmatig HEEL hard gelachen als er iemand weer eens iets liet vliegen. En niet iedereen trok dat, maar de tiende vrouw rolde net zo over de vloer van het lachen. Dus toen haar inwerktijd erop zat, namen de negen vrouwen met pruillippen afscheid van de tiende vrouw.

Maanden gingen voorbij. De negen vrouwen deden nog steeds precies dat wat ze moesten doen en het ging nog steeds goed. Al was wel per postduif het bericht binnengekomen dat de tiende vrouw haar eigen fabriek twee weken na aankomst verlaten had. Dat vonden de negen vrouwen gek, want de tiende vrouw kon -naast goed lachen om scheten- ook gewoon hard werken en dat is heel belangrijk in een fabriek. Zelfs na maanden viel er tijdens het schaften soms een beteuterde stilte.

Het voorjaar kwam. En met het voorjaar werd een van de negen vrouwen onrustig. Hoe fijn ze het ook vond met de andere acht, de fabrieksregels werden steeds ingewikkelder en op een dag was ze het zo zat, ze tilde een machine van de grond en flikkerde het kreng woest scheten latend zo door het raam naar buiten. Of nou ja, ze deed het niet, maar ze kreeg wel steeds vaker de behoefte om dit te doen. Berekende in gedachten de actieradius van haar worp versus het gewicht van de machine en de hoogte van de ruit waar de machine doorheen moest. Ze berekende hoe en wanneer ze moest gooien, zodat niemand last zou hebben van rondvliegend glas en vooral ook wie van hoofdkantoor ze wilde wurgen. Met andere woorden: het was tijd om te gaan voor deze vrouw en na een tijd wikken en wegen nam ze ontslag. De andere acht waren er verdrietig over. De vrouw die last van voorjaar had ook, want ze hield van de andere acht. Ze wilde ze eigenlijk niet in de steek laten. Gelukkig bestond er zoiets als een opzegtermijn.

Op een dag kwam de meneer die meer dan tien fabrieken van een afstandje in de smiezen hield naar de fabriek. Hij was niet van het hoofdkantoor, hij zat er een beetje tussenin. In andere fabrieken die hij bezocht kon hij streng overkomen, in onze fabriek kwam hij vooral voor de gezelligheid en om te kijken wat hij kon doen om ze te helpen. De negen vrouwen vonden het altijd fijn als hij er was, al lieten ze dan geen scheten. Hij kwam, hij keurde en trok zich op het kantoor terug om met de chef van de fabriek -die gewoon een van de negen was en niet echt een chef, tenminste zo voelde het- om te bespreken wat er beter kon.

Na een tijdje kwamen de meneer en de chef de fabriekshal in en werd de onrustige vrouw van de lopende band gehaald.
‘Ik ben heel boos op jou,’ zei de meneer. ‘Omdat je weggaat. Hier, ik benoem je nu tot medewerker van de maand.’ Waarop de onrustige vrouw begon te huilen, waarop de chef begon te huilen en de andere zeven begonnen ook te huilen.
‘Kom kom,’ zei de meneer, maar het was al te laat. De onrustige vrouw was hem om zijn nek gevlogen.
‘Kom kom,’ zei de meneer met een brok in zijn keel, terwijl hij de onrustige vrouw vriendelijk op haar rug klopte. Na een korte pauze met een hoop zakdoeken, waarbij om de beurt een van de vrouwen even naar buiten liep om stiekem een scheet te laten, zetten ze de lopende band weer aan en gingen ze weer aan het werk.

Maar de lopende band was nog maar amper in beweging gekomen of er werd aangebeld. Wat nu weer? De dag verliep al zo onrustig. De onrustige vrouw opende de grote poort van de fabriek en wie stond daar? De tiende vrouw. Die was spontaan/onaangekondigd naar de fabriek gekomen om nog even gedag te zeggen en te bedanken voor de leuke tijd… De onrustige vrouw keek in slow motion om naar haar zeven collega’s. Die elkaar vervolgens om beurten met grote ogen aankeken. Je zag als het ware de lampjes boven hun hoofd aanspringen, ploing ploing ploing. Tegelijkertijd sprongen ze op van de lopende band, ramden op de grote rode stopknop, sleurden de tiende vrouw aan haar jasje naar kantoor en zetten de meneer klem.
‘Kom kom,’ zei de meneer en hij sloot discreet de deur zodat de tiende vrouw haar verhaal kon doen over waarom ze niet meer in die andere fabriek werkte. De acht vrouwen (want chef zat ook op kantoor) luistervinkten met ingehouden scheetjes aan de deur. Zou het lukken? Zou de meneer akkoord gaan?

Na een hele tijd van samengeknepen billen hoorden ze de tiende vrouw schateren van het lachen. De deur ging open. Chef en de tiende vrouw verschenen in de deuropening. De tiende vrouw keek de onrustige vrouw aan, met een traantje in haar ooghoek. Ze had een bosje nepbloemen meegenomen voor de negen vrouwen met op het kaartje ‘bedankt voor de fijne tijd.’ Het kaartje klopte niet meer.
‘Kom kom,’ zei de meneer terwijl hij de tiende vrouw een pen gaf. De tiende vrouw paste de tekst aan. En werd de negende vrouw.

Einde.

En zo eindigt mijn carrière bij de fabriek met de liefste mensen.

bereikbaarheid

De laatste keer dat ik een werktelefoon had regende het binnen een week piemels van onbekende mannen. Dat plus een onzekere huisgenoot, maakte dat ik stopte met publiekelijk bereikbaar zijn. Wat op zich niet erg was, daarnaast werkte ik ook gewoon in een winkel, dus qua inkomen en vooral qua rust thuis was het de betere beslissing. Dit was, wat zal ik zeggen? Vijftien jaar geleden.

Inmiddels zit ik in de fase dat ik eerder verveeld zucht van de al dan niet symbolische piemels van onbekende mannen en op Instagram leer ik hoe je mensen die zich ongepast gedragen op ludieke wijze aan de schandpaal nagelt, dus in plaats van zorg en zenuwen, heb ik nu de neiging mijn mouwen op te stropen. De behoefte om bereikbaar te zijn is groter dan in staat zijn onder de indruk te raken van hanen en bavianen.

Met dit in het achterhoofd stapte ik vorige week de telefoonwinkel in. Een jongeman hielp me binnen een half uur aan een nieuwe telefoon, het goedkoopste exemplaar en het goedkoopste abonnement. Met een nieuw nummer dat ik overal onder ga plaatsen, die vrij gedeeld mag worden onder woordworstelaars. Problemen met een tekst? App me. Vraag over tarot? App me. Je droomvacature gevonden, maar niet goed met onder woorden brengen wat je te bieden hebt? APP ME! Dit is shit die je niet op school leert, maar soms heb je geen tijd voor een proces van vallen en opstaan, soms moet het gewoon verdomme goed zijn. Dus app me!

Al is het dan wel handig als je weet op welk nummer. Ja, dat is dus het ding, de bezorger komt tussen 8:00 ‘s ochtends en 22:00 ‘s avonds. Een heerlijke hiaat in de dag of zeg maar gerust, dat is de dag. Ik heb alles in huis gehaald om als een kwispelende hond voor het raam te liggen en ik heb gelukkig genoeg om over te mijmeren, met name over de reden van de nieuwe telefoon.

Vorige week zaterdag, tijdens de prijsuitreiking, raakte ik aan de praat met een mede-schrijfster. We kwamen op het fenomeen redactie. Zij heeft meer met schrijven, ik meer met redigeren, of nou ja, het wisselt waar ik meer mee heb. Schrijven doe ik alleen of in bijzondere gevallen met klasgenoten, redactie doe je altijd met iemand anders die zijn ziel en zaligheid in jouw handen legt.
Ik vind daar wel iets van, over het vertrouwen dat die ander je geeft. Maar wat ik dus vaak hoor en zelf ook ervaren heb, is dat een redacteur soms wat afstandelijk met je werk omgaat. Zakelijk, professioneel. Wat ik overigens begrijp, er moet een vertaalslag gemaakt worden naar de markt, maar nu ik dit werk nog niet op professionele basis doe… houdt niemand me tegen om het op een andere manier aan te pakken.

Tijdens het gesprek kwam ik op de beeldspraak van de gekke tante. Als de tekst je kind is en jij de ouder (ik maak hier geen onderscheid in wat voor tekst) dan wil ik er zijn om je met onconventionele aanmoediging zover te krijgen dat je tekst boven zichzelf uitstijgt. Ik ben dus niet de ouder, als je iets doet waar ik het niet mee eens ben, moet je het helemaal zelf weten. Als ik er niks mee kan krijg je het ook te horen. Maar de gekke tante… dat beeld sprak me aan.

Mijn oma aan vaderskant had een zus, we noemden haar tante Riet. Tussen de oorlogen in danste ze op hoog niveau en de jaren daarna was ze secretaresse van mannen in dure auto’s. Een achterneef van mij (een volle neef van mijn vader) vertelde eens dat tante Riet aankwam bij een verjaardagsfeestje van hem of zijn zusje. Ze werd afgezet door haar ‘baas’ en ze stapte die auto uit met de sierlijkheid van een ballerina, lange benen in een bijpassende netpanty. Bontjas, want dat kon toen nog. Je hoort ‘Rhapsody in Blue’ van Gershwin. Tegelijkertijd rookte tante Riet als een schoorsteen (sigaretjes in een houder natuurlijk) en was ze niet vies van een stevige borrel. Ze was de eerste vrouw die ik hartstochtelijk hoorde godverren. Toen mijn ouders uit elkaar gingen bleef ze koppig contact houden met mij en mijn moeder. Toen ze op haar laatste dag in elkaar zakte op een parkeerplaats en eerste hulp toegediend kreeg, verkocht ze de hulpverlener een hengst en meldde stijlvol dat ze niet gereanimeerd wenste te worden. Epische laatste woorden.

Hij kan er ieder moment zijn, de meneer of mevrouw met mijn telefoon. Het is prachtig weer en mijn bel is kapot, dus ik heb een briefje op de deur geplakt. Maar met een beetje geluk zie ik de bezorger aankomen en heb ik de deur al open voor er ook maar aangebeld wordt. Toch grappig hoe mijn straatje eruit ziet door het spionnetje, wat een leuk woord eigenlijk. De bakstenen van de overburen golven en de lijsterbes voor het hoofd lijkt zijn buik in te houden. Willen de mensen die me volgen eigenlijk wel weten wat er allemaal door me heengaat nu ik bij de deur sta te wachten? Ach nou ja, ik ben niet voor niets de gekke tante van het tekstloket. Jullie doen het er maar mee.

recensie: Wuthering Heights (de film)

Noot vooraf: ik heb het boek gelezen, maar zo lang geleden dat ik het niet meer weet. Niet echt. Mijn beeld van het verhaal is vooral gebaseerd op televisiefragmenten uit de tijd dat er nog geen afstandsbedieningen waren en tv’s dikke buiken hadden. Ik baseer het op internet en natuurlijk ook op de grote ogen van Kate Bush. Op de verhalen die ik weet van de gezusters Brontë. Op mijn eigen ervaring met liefde in haar meest wrede verschijningsvorm. Wat dat betreft zijn Catherine en Heathcliff universele figuren, archetypen bijna. Als je je herkent in hun liefde, dan ben je een gelukkig mens en verdoemd tegelijk, want wie bemint die verliest. Geen wonder dat de meningen over deze film nogal uiteenlopen, iedereen heeft zo zijn of haar eigen beeld van die liefde en dus van het verhaal. Ik weet dondersgoed hoe mijn Heathcliff eruitziet en Jacob Elordi (die Heathcliff speelt) is veel te verfijnd -in mijn ogen- voor de waanzin.

En toch… toch moet je als regisseur gewaagde keuzes durven maken. Vandaar ook de aanhalingstekens op iedere vorm van communicatie. Soms leek het net iets teveel op Bridgerton, met de glanzende stoffen en de exorbitante kleuren, maar vervolgens zette juist die uitbundigheid, dat extreme, een streep onder het dreigende materiaal waar de hoofdpersonen zich in bevonden en dus ook onder de betekenis ervan. Er hoefde niet spookachtig gespeeld te worden, de omgeving, de huizen, de interieurs riepen genoeg ongemakkelijke vragen op. Een schouw waar ik van griezelde en er was iets naars met de kaarsen aan de hand, waar ik nu niets over ga zeggen. Het tijdloze schreeuwde in de extremen. De regisseur schuwde het lelijke niet en daar hou ik op zich wel van.

Het vergt moed overspel neer te zetten zoals het is. Uit te spreken dat liefde, die liefde, dwars door (eigen) conventies heen ramt. De niet te stoppen liefde, het niet te houden, alles verzwelgende, maar oh zo menselijke verlangen naar dat andere puzzelstukje. De glans die van het leven afgaat als de ander er niet is en oh het vuur dat oplaait als je hart opeens door de mist op je af komt lopen.

De hele zaal zat te snotteren aan het eind. Het eerste dat bij mij opkwam was dat de film me nog het meest aan een musical deed denken, maar dan met alle goeie dingen van een musical. Dus duidelijke décors, goed instrumentarium, goede regie, sterke spelers, mooie kostuums, GEEN LIEDJES (hoera), krachtige personages en oh de eerlijkheid van liefde. De wrede, wrede eerlijkheid. Die als een mist ongezien de zaal in zweefde en nog lang na de aftiteling ongemakkelijke stilte afdwong. Niemand zei iets, aan het eind. De ene man die mee was gekomen met zijn vrouw kuchte, hopend dat er ergens in de zaal iemand was die het ook maar zo zo vond. Het bleef stil.

Voor mij zit er niks anders op dan het boek te gaan lezen. Ik denk dat het mijn geluk is dat ik me niets van het verhaal kan herinneren, want het kan alleen nog maar beter worden. Als je fan bent van het boek is het misschien niet verstandig om te gaan, alhoewel: Owen Cooper doet mee, de jongen van Adolesence. Als hij na die krachtpatserij in de vergetelheid was geraakt of toch niet zo goed bleek te spelen, was hem dat helemaal gegund. De rust van het niet beroemd zijn. Maar helaas, wat laat hij nu ook weer een oprechtheid zien in zijn spel. Hij neemt het vak serieus, hij neemt zijn personage serieus, hij heeft goed gelezen, goed nagedacht, iedere zin klopt, fantastisch. En Margot Robbie is gewoon Margot Robbie. Episch als altijd. Ze speelt alsof het haar allemaal overkomt en het overkwam Catherine ook. Heathcliff kan je niet plannen.