belofte: essay

lieve lezer,
Na vijf jaar het huiswerk dicht tegen de borst gehouden te hebben, beloofde ik laatst dat ik het essay waar ik afgelopen maanden aan gewerkt heb, zou delen en nu is het zover. Hieronder de vrucht van maanden sleutelen, ik ben er trots op, maar ik wil er ook iets over delen om verwarring te voorkomen.
1: Je weet dat ik lang van stof ben: deze spant de kroon.
2: Het is fictie en kort door de bocht betekent dat dat het nep is. Wie me langer kent dan vandaag zal er veel in herkennen, maar zich ook regelmatig achter de oren krabben. Mijn overleden man heette inderdaad echt Cees en nee ik woonde niet in Amersfoort met hem. Ja ik woon nu in ‘s-Hertogenbosch en nee, Marcus is noch archeoloog, noch een oude vriend van Cees. Je mag je zelfs afvragen of Marcus überhaupt bestaat, want ook hij is een mix. Met andere woorden, krab jezelf niet te lang achter je oren, de huid daar is gevoelig.
3: Het gaat knijterhard over weduwe-zijn. Als je daar geen zin in hebt, ander keertje terugkomen.

Gwen

HENNA

Is het vals om jaloers te zijn op vrouwen die na een huwelijk van veertig jaar hun man verliezen? Is het vals om te stellen dat zo’n verlies makkelijker te dragen is naarmate je ouder wordt? Je dode man sluit aan in een dan al lange rij.
     Hij is niet de eerste die vertrekt. Op de heenweg zijn er in de lijn van verwachting goudvissen, grootouders, collega’s, vrienden en ouders weggevallen. Uitvaarten zijn niet langer vreemd, je weet de weg naar het crematorium, de kerk, je weet de cafeetjes waar je na de dienst nog iets te drinken en te snaaien haalt. Er hangt standaard iets zwarts in je kast en je hebt nette schoenen die niet persé lekker lopen. Het enige dat nieuw is, is dat het dit keer je eigen huid is en niet die van een ander.

Als je oud bent en je je man verliest, is de kans groot dat er anderen zijn die de taal al spreken. De taal van leegte. De taal van net niet helemaal mee kunnen komen, de taal van een brein dat moet leren lopen zonder die ander en die al doende ontdekt: dit ga ik nooit onder de knie krijgen. Je hebt een goed excuus om tot je dood bij een raam te zitten mijmeren, vogeltjes te tellen, iedereen begrijpt het. Als je oud bent duurt het korter voor je hem weer zien zal, want dat geloof je nu opeens. De dood die Javaanse Jongens rookt en zijn koffie met een beetje suiker drinkt, is dichterbij. Je gaat breien en de Libelle lezen in plaats van de Volkskrant. Iemand met een rammelend karretje brengt een kopje koffie, ’s ochtends schuifel je met alle andere weduwen naar het ontbijt of naar de volgende uitvaart. Heerlijk lijkt me dat. Een zachte verademing.

To get a dickpic or not to get a dickpic.

Bij mij duurde het welgeteld drie dagen voor een vriendin zei dat er wel weer iemand in mijn leven zou komen. Ze kon zich niet voorstellen dat ik niet zó een leuke vent aan de haak zou slaan, ze knipte erbij in haar vingers, ik ben immers zo’n leuke vrouw. Drie dagen na zijn dood. Cees was nog niet begraven. Ik had niks zwarts in mijn kast hangen dan het standaard cocktailjurkje. En meteen er achteraan:
     ‘Een vriend van mijn achterneef is ook weduwnaar, ik zal jullie aan elkaar voorstellen.’ Als een rekensom waarvan de getallen zichzelf opheffen door op te tellen. Met andere woorden: je mag niet alleen zijn. Alleenstaande vrouwen kloppen niet in een wereld waar je alleen onderdeel van bent als koppel. Bij hoge uitzondering mogen ze oud zijn, dan stoppen we ze in een huis met andere alleenstaande oude vrouwen, we voeren ze uitzichten op parkjes met vogeltjes en routine en gezelschap. Maar van jonge weduwen kan je niet zeggen of ze jong of oud zijn en juist dat is bedreigend, want ook jonge weduwen moeten getroost.

Blijkbaar hielden vrouwen om me heen me in de gaten als ik bij ze aan de keukentafel herinneringen zat op te halen. Met hun mannen die van kindsbeen bevriend waren met mijn man en die hem net zo goed misten. Ik kwam iets tekort, ontdekte ik en de vrouwen wisten wat dat was. Seks was nog niet in me opgekomen, tot eentje bij wijze van grap zei:
     ‘Je blijft wel van Marcus af hè?’ Ik schoot in de lach, ik had nog niet eens de moed de lakens waar Cees onder gelegen had te verschonen en van het ene op het andere moment was ik een roofdier.
     En dus deed ik wat je doet in deze tijd van niet alleen mogen zijn. Ik meldde me aan bij een datingssite en deelde dit uitvoerig met bezette vriendinnen.

Leuke vrouw (40 jaar) met liefde voor taal en muziek zoekt nuchtere muziekliefhebber. Sta jij ook opgewekt in het leven en hou je, naast van ouwe rock, van natuur en stilte? Ik zoek een fijne man die van wandelen houdt en van bier en bitterballen. Kinderen geen bezwaar, integendeel, hier schrijft een leuke stiefmoeder.

Maar tijdens het schrijven sloeg de twijfel toe. Moest ik mijn burgerlijke staat benoemen? Wat als vrijgezelle mannen afhaakten bij het woord weduwe? Als de vrouwen om me heen me al bedreigend vonden, wat zouden potentiële geliefden dan wel niet vinden van de troostverwachting? Twee maanden na zijn dood waren er nog steeds emoties, ik ging ze niet uit de weg, al wist ik ze over het algemeen wel tot thuis te bewaren. 
     Wat als ik het niet zou doen? Als ik dat deel van mij zou bewaren voor later, als een ongemakkelijk dessert? Ik zag het al voor me. Eerste date met nietsvermoedende man die zichzelf heeft uitgesloofd, tafeltje bij het raam in mijn favoriete café, gestreken overhemd en dan vertel ik tussen het bier en de bitterballen:
     ‘Oh ja, ik ben getrouwd, maar je hoeft je geen zorgen te maken hoor, hij is dood.’ Waarna alle zuurstof uit het café gezogen wordt, de muziek wegdraait, iedereen naar ons kijkt en hij nog voor het dessert via het kiepraampje van de plee de tent verlaat. Wat ik begrijp. Zoveel jaren later en ik wil zelf nog steeds het liefst door dat kiepraam kruipen. 

Ik besloot het achterwege te laten. Gewoon om te kijken wat er zou gebeuren, bij mij en bij de ander. Ondergetekende is immers nog steeds in de eerste plaats zichzelf en niet de weduwe van, hield ik me voor.
     Binnen anderhalve week was ik de trotse eigenaar van drie dickpics in mijn mailbox, waarvan twee van dezelfde man. Eerst was er contact met een man die zich na twee dagen zo op zijn gemak voelde dat hij ongevraagd het beste met me deelde, waarna ik hem liet weten dat het niet zou werken en de verbinding verbrak. De tweede dickpic volgde vier dagen later, waarna ik de zender voorzichtig liet weten dat ik niet geen behoefte heb aan vlees op de vroege ochtend, waarna hij zich verontschuldigde. Maar diezelfde nacht deed hij voor alle zekerheid toch nog maar een poging om me te overtuigen dat een vegan levensstijl op de lange termijn niet goed voor me was.
     Beide gesprekken heb ik tientallen keren ontleed. Nergens zag ik iets in mijn eigen woorden dat naar dickpics solliciteerde of zag ik iets over het hoofd? Misschien was ik te geïnteresseerd en te aardig en duurde het de heren gewoon te lang. Over roofdieren gesproken.

Leuke weduwe (40 jaar) met liefde voor taal en muziek zoekt nuchtere muziekliefhebber. Sta jij ook opgewekt in het leven en hou je, naast van ouwe rock, van natuur en stilte? Ik zoek een fijne man die van wandelen houdt en van bier en rundvleesbitterballen. Kinderen geen bezwaar, integendeel, hier schrijft een leuke stiefmoeder.

Serieus?

Prompt kreeg ik niks meer. Niks. Geen likes van mannen met karpers, geen slecht geschreven uitnodigingen. Zelfs geen berichten van mannen die op zoek zijn naar een side piece of ONS’s. Dat is straattaal voor minnares en eenmalige neukpartij, weet ik inmiddels. Met andere woorden, je kan je van alles afvragen over mannen die dickpics sturen, ze hebben wel ontzag voor weduwen. Misschien omdat het types zijn die veel films kijken en zij weduwen zien als figuren die gehuld in zwart voile jammerend over de akkers dwalen en het leven uit de levenden zuigen? Jonge weduwen, het moderne equivalent van vampiers.
     Ervan uitgaande dat een dickpic het tegenovergestelde is van ontzag -in mijn onwetende/vrouwelijke ogen- wist ik toen helemaal niet meer wat ik wilde. Meedoen als een gewoon iemand en dickpics krijgen, zodat ik aan de vriendinnen kan laten zien dat ik geen roofdier ben of, het andere uiterste, gemeden worden. Ergo eng zijn is niet af te schudden. Ik schreef me uit van de datingssite, maar bleef voor alle zekerheid aan de keukentafel delen over dickpics. 

Niet lang daarna verhuisde ik van Amersfoort terug naar ’s-Hertogenbosch waar ik woonde voor ik verkering kreeg met Cees. Verbrandde andermans goeie bedoelingen achter me, de keukentafels werden appjes op geboortedagen, sterfdagen en kerst natuurlijk.
     ‘Het is moeilijk of niet?’
     ‘Ja het is moeilijk, gelukkig is er Netflix.’
     ‘Sterkte.’
     ‘Dank je.’
Nam de tijd om mijn leven op te pakken en werd aangenomen in een winkel in Eindhoven waar ze thee, huidverzorging, vitaminen -vaker niet dan wel groenlipmosselcapsules verkopen- en veilige, zwarte bedrijfskleding dragen. Groene schortjes. Met halfjaarlijkse bedrijfsuitjes in luidruchtige cafés en een leidinggevende die discreet akkoord ging met jaarlijks twee weken onbetaald verlof in januari, de week voor en de week na zijn dood. Waarvan ik standaard een paar dagen doorbreng met de volwassen dochter uit zijn eerste huwelijk.
Voor de rest, voor mijn collega’s, ben ik wie ik nu ben, want ze kennen hem niet. Ik ben niet meer wie ik was en er zijn geen herinneringen meer aan die vrouw. Ze weten dat ik alleen ben, dat ik verlies ken en dat is het. Het gewicht ervan gaat gelukkig aan ze voorbij, het is lekker om normaal te zijn. Alleen als ze klagen over wc-brillen en hoe hun partners achteloos hun onderbroeken laten slingeren, doe ik alsof ik iets aanvul of rechtzet en zeg niet dat ik mijn leven zou geven voor nog één remspoor. Ik zal nooit meer worden wie ik was.

To burn or not to burn of: het halfjaarlijkse bedrijfsuitje.

Normaal, voor zover een team waarin iedereen het met elkaar kan vinden normaal is, gaan we eten in een café in de binnenstad en praten over groenlipmosselcapsules, over het nieuwste serum van eigen merk en dat er wel veel alcohol in zit, de fratsen van hoofdkantoor en situaties met klanten, mevrouw De Bruin die andere medicijnen heeft gekregen of haar huidige medicijnen niet inneemt en om de haverklap belt om ons de huid vol te schelden. Die voorspelbaarheid beschermt me tegen de lawine van rouw die op ongezette tijden over me heen raast. Niet dat het niet komt, maar ik kan het meestal uitstellen tot een pauze, een terugweg of tot ik thuis ben. Tot ik onder de douche sta. In januari vaker dan andere maanden.
     De trein van negen uur die ik moet hebben om op tien uur op de werkvloer te staan en het bedrijfsuitje dat altijd in de pijpleiding zit, houden me overeind. Als een kapstok, een steunbeer. Het is drie maanden praten over wat we gaan doen, drie maanden praten over hoe leuk het was, drie maanden praten over wat we gaan doen en zo voort. Zalig.
     Zelfs het uitje zelf kent een structuur: Kort na het toetje haken er drie af, die moeten de volgende dag werken. Drie anderen worden op een brave tijd opgehaald door partners, waarna er twee achterblijven die tot in de kleine uurtjes het restant van het budget inruilen voor bier en bitterballen.

Zo ging het altijd, tot de moslima van het team in de herfst op het idee kwam een keer iets anders te doen dan eten en over mevrouw de Bruin praten. Blij en aanmoedigend als we zijn juichten we het plan toe, opperden ideeën en kozen uiteindelijk voor een workshop hennakaarsen versieren bij de schoonzus van de aanstichtster van de verandering. We zagen er drie maanden naar uit.
Op de avond zelf bleek: schoonzus is niet iemand met een gezellige hobby waar ze iets over wilde vertellen, maar een heuse henna-artist met ik-weet-niet-hoeveel volgers op Instagram. Dickpic, henna-artist, mijn woordenschat is sinds Cees’ dood toegenomen. Zij was zo iemand die traditionele versieringen aanbrengt op de handen en enkels van aanstaande bruiden op hun trouwdag. Die de betekenis weet van iedere krul, van iedere lus. En als er geen bruiloften waren dan stond ze op markten met henna-style versierde kaarsen en ze gaf workshops. Er ging een wereld voor me open.

We werden welkom geheten in een Eindhovens rijtjeshuis. Plavuizen op de vloer, zeil over een schragentafel, klapstoeltjes, er was frisdrank, een snoepbuffet en traditionele thee. Eerst oefenden we met potlood op papier om de manier van krullen in de vingers te krijgen. Waarna we zwijgzaam onze opgedane kennis toepasten met kleine spuitflesjes met basiskleuren op blokkaarsen van de Action. Het was stil. Geen fratsen van hoofdkantoor, geen lastige klanten, geen mevrouw de Bruin. Geen muziek. Slechts het gemopper van een misplaatste klodder of een onverwacht gelukt effect.
     Tussendoor mochten we om de beurt aanschuiven bij de schoonzus die op de hoek van de lange tafel plaatsnam om ons zelf een behandeling te geven. De ene na de andere collega voorzag ze van wat een gehaakt kunstwerk leek van bruin kant.
     Eerst nam ze je hand in de hare, waarna ze er even naar keek, na leek te denken over wat er op moest. Dan streek ze haar canvas glad, trok met een vingertop een lijn van de pols naar een vinger, boog zich over de hand heen en begon. Met het gemak alsof ze haar eigen naam schreef, met het ritme dat iets weg had van een hartslag. De ene na de andere collega stond op met wapperende handen en stralende ogen. Zeven unieke kantwerkjes.
     Ik hoefde niet persé. Ik was net terug van het jaarlijkse weekend bij het kind dat nog in Amersfoort woont. Bepakt en bezakt met weekendtas en rugzak kwam ik aan in Eindhoven, want het kind woont helemaal daar en ik woon helemaal hier en de logeerpartij en het uitje vielen toevallig samen in de verlofmaand. (Mijn leidinggevende vroeg nog of het niet bezwaarlijk was.) Het was januari en koud, ik droeg een winterjas en wanten en ik moest nog een stuk met de trein en daarna op de fiets. Bovendien, henna is voor bruiden had ik al ontdekt op Google. En toch liet ik me ompraten. Als een van de laatsten nam ik plaats. De schoonzus stelde me gerust.
     ‘Ik zal rode henna doen,’ zei ze ‘die hoeft er maar een half uurtje op te zitten en slijt ook sneller.’  

Via Strijp, Best en Boxtel hobbelde de stoptrein terug naar huis. Buiten was het donker, het licht in de trein was fel, in de verte rommelde de lawine. Ik onderzocht de bloedrode druppelvormen, de bloemen en de linten met krullen op mijn huid. Het leek door een fijne rode stift geschreven te zijn in plaats van de miniversie van een slagroomspuitzak. Evenredig, nergens te dun of te dik, ik durfde het niet aan te raken. Probeerde onhandig een foto te maken, want met rechts je telefoon vasthouden en tegelijkertijd op de knop drukken gaat niet. Na drie pogingen lukte het me in te zoomen op de henna en minder op de lichte rimpels eronder. Misschien moest ik toch eens investeren in een goede handcrème bedacht ik me, maar dan wel ná het slijten van de henna, want ik wist niet wat voor uitwerking de olie in de handcrème zou hebben op de henna, wat had ik überhaupt op mijn hand? Niets lekkerder dan op zoek te gaan naar feiten als je liever thuis wil zijn.  
          Wikipedia vertelde: Henna wordt gewonnen uit de hennastruik. Een slanke, sierlijke plant met blauwe bloemetjes. Als je die droogt en vermengt met citroensap, suiker en etherische olie en dat aanbrengt op de huid en dit een tijd laat zitten, geeft het een bruinrode kleur af die pas na weken slijt. Aanstaande bruiden dragen het papje vier tot twaalf uur op hun hand zodat het goed in kan trekken. In die tijd kunnen ze geen poot uitsteken en worden ze door de vrouwen van beide families ontzien, verzorgd, gekleed, gevoerd en opgediend aan de aanstaande. Overal waar henna groeit laten bruiden hun handen en enkels versieren. Overal waar henna groeit is het traditie geworden, streken en families hebben sinds mensenheugenis hun eigen patronen en manieren van aanbrengen. De mens en zijn versieringen.
     Ik dacht aan de versieringen die ik droeg toen ik trouwde. Aan hoe het kind nepbloemetjes in mijn opgestoken haar stak. De ochtend van zijn uitvaart deed ze hetzelfde. Met dezelfde bloemen.

Op een andere website ontdekte ik dat de Voedsel- en Warenautoriteit toeristen waarschuwt voor zwarte henna vanwege p-fenileendiamine, oftewel PPD. Die wordt aan natuurlijke henna toegevoegd zodat het sneller intrekt en langer blijft zitten. Hierdoor wordt henna aantrekkelijk voor toeristen die van alles op de agenda hebben staan en zich tussen neus en lippen door oosterse bruid willen wanen. Een middag lief en onschuldig zijn, mooi gevonden worden, aangeraakt worden.
     Zwarte henna mag al na een uur afgewassen worden. Al? Hoezo al? De mijne mocht er na een half uur af, had ik zwarte henna op mijn hand? Het was alles behalve zwart.
     Ik las verder. P-fenileendiamine, een stof op basis van chloor, wordt gebruikt bij de determinatie van korstmossen en kan allergische reacties veroorzaken. Je kon veel zeggen over dit bedrijfsuitje, het was een leerzame avond. Onder het kopje afbeeldingen ontdekte ik dezelfde druppelvormen, bloemen en krullen als op mijn hand, maar dan wit, nat en dik als kloppende aderen. Blaren, littekens. De huid op mijn hand begon een beetje te branden, vanwege de PPD of vanwege de informatie die ik net gelezen had, dat kon ik niet meer met zekerheid zeggen.
     Eenmaal thuis douchte ik als het Vrijheidsbeeld. Bang dat het warme water zeer zou doen of het werk zou verpesten. Ook al had de schoonzus bij wijze van onderdeel van het ritueel beurtelings onze handen gewassen onder een zachte straal lauw water en met arganolie verrijkte zeep. Onze handen dan weer zo en dan weer zo kerend, strelend, koesterend. Ervaren.
     ‘Arganolie, héél lekker voor je huid,’ had ze gezegd, ze had met zwarte kohl omlijstte ogen. Haar handen zeepten de mijne in onder dat warme water. 

To bleed to death or not to bleed to death.

De volgende ochtend -ik had verlof en lag nog in bed- glipte een streepje licht langs de kieren van mijn zonwerende gordijnen, ik droomde dat ik in dat keukentje stond met die straal warm water en die kundige handen die de mijne zo liefdevol inzeepten en verzorgden toen ik ontdekte dat de nagel van mijn wijsvinger eraf lag. Bloed gulpte naar de schaduw op mijn kussen en ik kan niet tegen bloed. Tijdens gewelddadige scènes in films moet ik wegkijken, want geheid ik word licht in mijn hoofd en moet gaan zitten. De maatschappij heeft dubbelniks aan mij.
     Langer dan nodig verkeerde ik in het interbellum van het moment van impact en het moment dat je hersens de schade registreren en aan de slag gaan door het hart te laten pompen en adrenaline en pijn door het lijf te jagen. Zoals wanneer je je net gesneden hebt aan een scherp mes of aan papier, je kijkt, je ziet je huid krullen, de verschillende lagen en pas daarna bloed, wacht even ik moet even stoppen met schrijven. Zoals de dagen na een overlijden; als je realistisch bent is het ook absurd wat je die dagen voor elkaar krijgt.
     Alleen de pijn bleef uit. Het kwam niet. Terwijl ik met geklemde kaken, kermend, mijn vinger dicht lag te drukken tot na een onnodig lange tijd doordrong dat er niks aan de hand was.  

En toen appte ik Marcus. Die archeoloog/semi-antropoloog is en zijn tijd doorbrengt achter een microscoop met ouwe Stones op zijn koptelefoon en op donderdag in een bruin café zit met zijn maten. Die een barkruk reserveren voor Cees door er hun jassen overheen te leggen, want wat moet je anders? Als iemand me hiermee kon helpen dan was hij het. Technische vragen mocht ik toch wel stellen aan een getrouwde man? Dit had met zijn werk te maken, als iemand wist hoe het zit met rituele versieringen, dan was hij het en ik was het internet zat met al die hennabruiden.      
     Nuchter beantwoordde hij mijn vraag met een link naar een artikel over Ötzi, de drager van ’s werelds oudst gevonden tatoeages. De man die 5000 jaar geleden op een bergpas in zijn rug werd geschoten, stierf, bevroor en daar bleef tot hij in 1991 ontdekt werd, goed geconserveerd en alles. Tatoeages op zijn borstkas, onderrug, knieën, enkels, zijn linker pols, kleine sneetjes en kruisjes ingesmeerd met zwarte kool. Vermoedelijk als pijnbestrijding tegen reuma, er bestonden nog geen groenlipmosselcapsules. Hoe dan ook, ik werd er onpasselijk van. Ik appte dat ik een artikel over versieringen zocht.
     Vervolgens stuurde hij een link naar een artikel naar de een-na-oudste tatoeage: een snor op de bovenlip van een Chileense mummie. Kijk, dat bedoelde ik. Mensen versierden zichzelf altijd al, niet alleen bruiden, misschien moest ik het gewoon op die manier zien. Geen idee wat ik hiermee wilde bewijzen, maar er was iets bewezen. Ik liet mijn henna voor wat het was zolang mijn verlof duurde. Ik had nog wel ergens zo’n vingerloos handschoentje liggen.

Meedoen of niet meedoen.

      ‘Oh my gawwwwd,’ nepwimpers krulden rond haar oogleden, donkere ogen keken me stralend aan. De vaste klant die altijd met oortjes in de winkel binnenkomt, nooit groet, met open mond kauwgom kauwt, geen bonnetje wil als ik hem net geprint heb, een bonnetje wil als ik het product van de volgende klant al heb aangeslagen, een tasje vraagt als ik haar drie keer gevraagd heb of ze een tasje wil, wie het aan haar reet zal roesten of ik aardig tegen haar doe of ook niks zeg; met beide handen greep ze mijn hand. Het plotselinge aanraken ontregelde alles. Het was de eerste werkdag na het verlof, ze was zo beetje mijn eerste klant. Met de ene hield ze mijn hand vast, met de ander tekende ze langs de rode lijnen als een waarzegster die mijn toekomst doorzag.
     ‘Dit is echt zoooo mooooi…’ kirde ze en keek me recht aan. Opeens was ik onderdeel van haar wereld, van warme landen, stranden, grote families en op jonge leeftijd op exorbitante wijze trouwen met de man van je dromen. Aangekleed worden, aangeraakt worden. Kindjes maken en lipfillers. Ze zoog me haar wereld in met haar plotselinge vriendelijkheid. Hunkerend vroeg ze of ik getrouwd was.
     Ja, dacht ik. ‘Nee,’ zei ik, want wat zeg je tegen iemand die je alleen maar aankijkt omdat ze iets van haar eigen belevingswereld herkent en je verder geen blik waardig gunt? Moet ik bruid of moslim of vakantieganger zijn voor ze me ziet? Moet ik getrouwd zijn voor ik mee mag doen? Wat zeg je tegen iemand die je uit het niets aanraakt? Die bewonderend met haar vingertop over je hand streelt, over je pezen, je knokkels, je rimpels niet ziet of wel, maar zich er niets van aantrekt. Het gaat immers om de henna, de verbindende henna. Diegene vertel je niet dat je twijfelt of het gepast is dat je henna draagt gezien je burgerlijke staat en je levensstijl.    
     Gelukkig kwam er een andere collega die op dezelfde frequentie kirde over het bedrijfsuitje, Instagram henna-artists en Insta-bruiloften. Zij droeg bruine henna op haar hand, ze had anderhalf uur glunderend en wapperend aan de schragentafel gezeten, zich niet langer bekommerd om haar kaars. Mijn hand werd losgelaten, dankbaar maakte ik me uit de voeten. Eerder op de dag overwoog ik het kind een foto van de henna te sturen, in plaats daarvan hervatte ik tijdens de lunchpauze mijn onderzoek. 

Henna staat beschreven in de Hadith, de overlevering die de Koran makkelijker te interpreteren maakt. Het staat niet in de Koran zelf, dat scheelt, dacht ik hardop. Ik durfde mijn collega niet te vragen of weduwen die leven of beter gezegd er op los leven na de dood van hun man ook henna mogen dragen. Of knijpt Allah een oogje dicht omdat de henna op mijn hand toeristisch rood is? Had ik het ritueel van aanbrengen ondergaan als collega of als weduwe?
     Tijdens het uitje had ik me gedragen als collega, ik maakte grapjes en deed mijn best, versierde de kaars, smulde van het snoepbuffet, won de wedstrijd meeste vegan spekkies in je mond, bewonderde het werk op de handen van mijn collega’s, declameerde de ‘ohhhh’s’ en de ‘ahhhh’s’ en dacht op dat moment totaal niet aan de andere rollen die ik was gaan spelen sinds zijn dood.

Had ik de weduwe tijdelijk in de gang achtergelaten van dat Eindhovense rijtjeshuis, bij mijn wandelschoenen en rugzak? Hing ik die avond het roofdier aan de kapstok om haar na een paar uur weer aan te trekken? Toch gaf het een minder ongemakkelijk gevoel dat het niet in de Koran stond. Mijn collega weet dagelijkse dingetjes van me, dat ik mijn koffie zwart drink met een beetje suiker, dat ik single ben, dus als er een knappe man de winkel binnenkomt krijg ik een knipoog en haar zegen om naar de kassa te sprinten. Ik weet van haar kindjes en haar man en hoe ze elkaar hebben leren kennen. We weten de dagelijkse dingen van elkaar. Ik denk dat ze weet dat ik ben wat ik ben, maar dat ze me graag ziet zoals zij me ziet. Als het Ramadan is en ze vast, haal ik geen koffie bij het bakkertje om de hoek. Als het Suikerfeest is, haal ik bonbons met pistache. Ze nodigde me uit voor de workshop en vroeg niet verder. Ik ben blij dat het niet concreet in de Koran staat.
     Onderweg naar huis, na een dag waarin alles misging dat mis kon gaan -zelfs mevrouw De Bruin had gebeld en ik nam op- maakte ik de kapitale fout Google concreet te vragen of weduwen henna mochten dragen. Het antwoord was nee.

Bij thuiskomst duikelde ik een scrubborstel op, smeerde mijn hand in met een klont kokosvet waar ik normaal mijn vlees in braad, kneep een flacon geurige zeep leeg over de borstel en wreef. Dezelfde herhalende rondjes die de schoonzus met haar zachte handen maakte, maar dan met harde haren en kracht tot de schuimvlokken door de douche dwarrelden en mijn huid rood was als de henna zelf. Het haalde niets uit.
    

To be touched or not to be touched.

     ‘Siebene auf einen Streich.’ Natuurlijk kwam Marcus met een sprookje over de brug op mijn vraag hoe ik van de henna af kom. Hij had kunnen zeggen dat ik geduld moest hebben, zoals iedereen die ongevraagd rouwadvies met me deelt, maar dat deed hij niet.
     Het dappere snijdertje dat in één klap zeven vliegen doodt en deze tekst met een scherp mesje in het leer van zijn riem snijdt en dan met trots boodschappen gaat doen in het dorp. Iedereen ziet ‘zeven in één klap’. De mensen die hij tegenkomt vullen in waar die zeven voor staan. Reuzen, boeven, eenhoorns, de mensen vinden hem meteen een held. Hij laat ze denken wat ze willen en trouwt uiteindelijk de prinses.
     Ik snapte de ballen van wat hij bedoelde.
     ‘Het versieren van de riem met de tekst ‘zeven in één klap’. Het middels symbolen communiceren naar de buitenwereld, ook al verstaat de buitenwereld iets anders. Het is maar hoe je het zelf ziet. Een reus voor de één is een vlieg voor de ander. Een eeuwenoud ritueel voor de één, een leuke vakantiebeleving voor de ander.’
     Is henna werkelijk niet meer dan dat? Als de jurk al lang weer in de kast hangt of doorgegeven is aan de volgende onschuld, dat er dan toch nog iets is, desnoods vaag, waaruit blijkt dat je iets gedaan hebt, voor iemand hebt gekozen? Henna was er eerder dan Instagram, henna was er eerder dan het gebruik van trouwringen. Je laat je hand zien en mensen weten: je bent getrouwd. Ik wil dat mijn vlieg dezelfde vlieg is als die van mijn collega en haar schoonzus, omdat ik respect heb voor de mensen die de vlieg als vlieg zien. Maar zagen zij de vlieg wel als de vlieg die ik zag? Waar is Cees als je hem nodig hebt?
   
Ik dacht aan de rituele wittebroodsweken die in de middeleeuwen ontstonden en nog tot in de vorige eeuw gebruikelijk waren, de tijd dat wit brood luxer was dan bruin brood. De honeymoon, tijd van zoetigheid, van nestjes bouwen en voorjaar. Henna als banier van trots, van keuzes en bezit. Van vreugde en liefde. Van tot de dood aangeraakt worden.

Opeens vond ik het jammer dat het kant op mijn hand zou verdwijnen. Ik had er niet bij stilgestaan dat er ook een fase zonder henna zou zijn, zoals ik soms ook mijn trouwring mis. Op een nacht was het genoeg, ik deed hem af en legde hem in de vensterbank bij het bed. Dacht er niet over na, ik sliep half, merkte zelfs pas na een paar dagen dat ik hem af had gedaan en toen heb ik het zo gelaten, bij wijze van experiment. Als een soort oefenen met beschikbaarheid ademen of in ieder geval proeven hoe het is om geen weduwe te zijn. Mijn burgerlijke staat als een streep in het leer van mijn riem door een ontbrekende ring. Die niet bestaat als ik hem niet draag. Wat niet zegt dat het geen zeer doet. Soms wriemel ik met mijn vingers langs huid in plaats van fijn goud.
    
Het kind liet er vorig weekend haar oog op vallen, op mijn ringloze hand, maar zei er niets van. In hoe vrij we over haar vader spraken hoorde ik begrip en een volwassen dingen niet willen weten van je (stief)ouders en tegelijkertijd nieuwsgierigheid. Of ik weer aan het daten was, vroeg ze tijdens de afwas zonder me aan te kijken. Een wijnglas, een bierglas, een schaal voor de chips, een schaal voor de nootjes en een schaal voor de bitterballen. De pizzadozen konden bij het oud papier.
     ‘Nee,’ zei ik.
     Zo zou het met de henna ook gaan, het hoorde erbij. Je laat henna plaatsen: dat slijt. Je werkt in een winkel: dan moet je soms vertellen dat iets niet leverbaar is. Kinderen worden volwassen en gaan wijn drinken. Je trouwt een oudere man: die sterft. Je gaat roken. Je doet je ring af. Het wordt herfst en vervolgens winter en vervolgens voorjaar. Het hoorde erbij. Zo gaan die dingen.

Leven of niet leven.

Twee weken later, het team was nog volop aan het napraten, zag ik tijdens de pauze dat de microscopische draadjes van het kant begonnen los te laten. Te rafelen als het ware. Het was zover, de eerste breuk in de lijn. Nam mijn huid de inkt in zich op of verging het? Werd het afgestoten of liet het los? De dag dat ik het ontdekte, kocht ik een flesje koudgeperste, biologische arganolie van een A-merk dat niet in de aanbieding was en begon met het twee maal daags insmeren. 
     Ik dacht aan hoe ik na Cees’ dood koffie was gaan drinken en gaan roken. Niet frequent, maar genoeg om het kind in de lach te laten schieten toen ik na aankomst mijn rugzak leegkiepte op haar keukentafel op zoek naar mijn oplader en er een aansteker uit kwam rollen.
     We waren samen zo ontzettend tegen zijn eeuwige Javaanse Jongens en nu kon ze weer zo kijken. Met diezelfde strenge ondeugd als haar vader. Geen idee waarom ik begonnen ben, misschien voor haar, misschien voor hem, maar nu de henna slijt begint me iets te dagen. Onherroepelijk slijt er iets. Geen idee wat, ik weet ook niet of ik wel wil dat het slijt, maar het slijt. Tijd loopt. Daar gaat geen mijmersessie, geen koffie, geen Libelle iets aan doen. Het rode kant rafelt, rimpels maken de lijntjes minder sierlijk, minder doorlopend.

Misschien slijt het roofdier. Het contact met de vrouwen van toen verwaterde en de vriendinnen en collega’s die ik nu heb zien het gevaar niet. Ze kennen Cees niet, ik ken hun mannen niet, ze weten niet wat ik tekortkom. Ze hebben geen idee wat het met me doet als een hand de mijne pakt en iemand me aankijkt. Die plotselinge confrontatie met mens-zijn, mijn cellen zijn het niet meer gewend. Het is uit mijn systeem en ik begin te berusten. Misschien maakt me dat minder eng.
     Misschien slijt de kwetsbaarheid. Wat ik fijn zou vinden, want ik heb vrienden die -als ze over hun leed vertellen- de vergelijking maken dat wat ik meegemaakt heb veel erger is en daarmee hun eigen leed decimeren en ik wil zo graag normaal gevonden worden. Hun ongebreidelde shit horen. Al realiseer ik me steeds meer dat normaal een oude weduwe is.
Misschien slijt het verlangen. Er zijn genoeg verhalen van vrouwen die geen man meer hoeven. Die hun gedoe en hun seks zat zijn, maar meestal zijn dat getrouwde vrouwen.

En toen appte Marcus. Ik was thuis, had net gedoucht. Hij vroeg hoe het met me ging. Ik schreef: goed. Hij schreef: hoe gaat het echt met je? Hij nam de moeite om echt cursief te schrijven. Het was in de fase van het na het douchen insmeren met arganolie, met lange vingers hield ik mijn telefoon vast. Ik kon niet reageren zonder dikke strepen te trekken over het scherm. Als een bom viel het inzicht. Wat slijt is het verzet tegen iets zijn wat ik niet ben. Wat slijt is het verzet tegen leven. Weduwe zijn kan best gelijk opgaan met ademen, de Libelles zijn niet noodzakelijk of onherroepelijk. Hij vroeg hoe het met me ging, via zijn vingers, zijn scherm, zijn internetverbinding en de kilometers tussen ons raakte hij me aan. Diezelfde avond nog stond hij bij me op de stoep.
     ‘Kom eens hier met die argan,’ zei hij. Hij herinnerde zich dingen die Cees tijdens drankgelagen vol trots aan de mannen had verteld over zijn jonge aanstaande. Hij zei dingen die Cees soms zei, gekke kleine stopwoordjes, uitdrukkingen, zijn eeuwige variaties op Hamlet. Hij wist dat ik wist dat hij dingen zei die Cees soms zei en hij raakte me godverdomme aan. Hij kuste mijn naakte ringvinger en de rafels op mijn knokkels. Met zijn vingertoppen tekende hij de tatoeages van Ötzi na op mijn huid, haalde me van de akkers. Trok de zwarte voile en de bedrijfskleding over mijn hoofd en liet deze achteloos op de grond vallen. Mijn schubben en klauwen, mijn vlijmscherpe hoektanden, mijn zwaveladem, mijn leuk-zijn, mijn harnas, mijn muur, mijn Cees. Alsof de slinger een avond bleef hangen en toen weer begon te bewegen, de andere kant op. De dagen die volgden rolde ik de mouwen van mijn werktrui op.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *