Het was wat, om daar weer te zijn. Over de A15 te rijden en afslag Sliedrecht te nemen. Gelukkig had ik iemand bij me die twee dagen na de dood van Cees voor mijn deur stond en vervolgens niet wegging en me in mijn waarde liet. Die de vloer in mijn nieuwe huis legde, omdat ik die weken niks kon dan glazig voor me uit kijken. Dus ik was in goed gezelschap en het doel was ook schitterend.
In mijn vorige stukje schreef ik al hoe mooi het is als een cirkel rond is. ‘Cirkels zijn altijd rond, Gwen.’ Oh ja. Als een streep zo soepel doorbuigt dat hij een cirkel wordt. Dat ik een fotootje in de krant zag staan, daar een gedichtje over schreef, benaderd werd door iemand van een stichting waar ik vervolgens voorzitter van werd. Dat gedichtje mocht ik vandaag voordragen tijdens de legging van de struikelsteen voor díe specifieke jongen. Cornelis. Op de dag af 81 jaar geleden werden hij en honderden andere onschuldige jongens door de bezetter bijeen werden gedreven en op transport gesteld naar Duitsland. Waar ze zaagsel te eten kregen.
Het gedichtje schreef ik in een tijd dat mijn leven nog was zoals het was. Ik kon de ene Cornelis nog stevig vasthouden toen ik geraakt werd door het snoetje van de andere Cornelis. Inmiddels zijn ze allebei te betreuren, dus ik moest het gedichtje aanpassen. Sleutelen aan eigen werk om het actueel te maken, begrijpelijk. Eruit halen wat er aan tegenwoordige tijd in zat. Maar al sleutelend merkte ik al hoe het me naar de strot vloog en paste de trucjes toe die acteurs toepassen: ijsberend door huis repeteerde ik het gedicht. Voor de spiegel: HOEOEOE JEEEEEEE MAAAAAA EEEEEEE BEEEEEE RRRRRRR. Tijdens het douchen: OOOOOOPPPPPPP DRRRRRR. FFFFFFFOOOOOOO. Want herhalen haalt de emotie eraf.
Stond ik daar, op die stoep, recht tegenover nabestaanden van Cornelis… wat denk je? Daar kwam de golf. Waar iedereen bij was wrong verdriet naar boven, vervolgens naar buiten, ik maakte nog een grapje over watervaste eyeliner, maar het sloeg dood als een slof biertje. Woord voor woord wurmde ik me door de tekst. Als je de essentie van zinnen niet aan wil gaan, moet je gewoon je woorden isoleren. Dus: Hoe. Je. Maar. Een. Maar nee hoor, de lawine was gaan lopen en de kraan opengedraaid: ik kreeg de brok niet weggeslikt. En weet je? Fuck it. Fuck it met niet huilen. Fuck it met professioneel zijn. Dat manneke was 22 jaar, hij werkte in de bouw en was binnen anderhalf jaar helemaal kapotgemaakt. Waarom zou ik verdomme niet janken? Zijn vader kreeg de opdracht een koffer met kleren naar Amersfoort te brengen, waar Cornelis naartoe gebracht werd voor hij naar Duitsland vertrok. Ze hadden geen koffers bij de familie de Rek, dus liet vader een koffer maken. Vervolgens ging vader met die speciaal voor de gelegenheid gemaakte koffer naar Amersfoort en kreeg te horen: ‘zet daar maar neer.’ Man is omgedraaid en in goed vertrouwen naar huis gegaan. Kind nooit meer gezien. Waarom zou ik niet janken? Natuurlijk was het mijn taak niet, ik ken die hele familie niet, ik heb maar zeven jaar in Sliedrecht gewoond, maar alles kwam samen. Die twee Cornelissen, die twee dunne snoetjes, die lijnen onder hun ogen, die kuiltjes boven hun kin.
Na het plaatsen van de steen voor Cornelis en de steen van Barend was er koffie in een kantine van een bedrijf op wiens terrein een struikelsteen lag. Hoefde de manager niet te doen, hij hoefde zijn kantine niet beschikbaar te stellen voor ons. Deed ‘ie lekker wel. Hij deed dat vanzelfsprekend. Zijn deuren openzetten voor dertig mensen die allemaal om wat voor reden dan ook verbonden waren aan die stukjes stoep. De weduwe van de broer van Cornelis, een waardige dame van diep in de tachtig, zat er op een plastic stoel koffiemachinekoffie te drinken uit een felrood kopje. Stralend van dankbaarheid.
Mijn reisgenoot observeerde stilletjes terwijl ik gesprekjes voerde. Met de bestuursleden die zo aardig waren me uit te nodigen, met familie van Cornelis de Rek, met iemand uit het kringetje van Cees. Die, tussen neus en lippen door en zonder dat ik het aan zag komen of eerder met hem gesproken had, vroeg of ik mijn leven op orde had. Of ik mijn leven op orde had. Ik reageerde zoals ik altijd reageer als er iets gebeurt dat ik niet meteen kan plaatsen: vriendelijk en blij. Een voor de maatschappij prettig coping-mechanisme.
‘Never a dull moment,’ zei ik, terwijl ik met mijn handen wapperde als een kolibrie. Hoera. Of ik mijn leven op orde had. Ik stuurde het gesprek een andere kant op, laveerde bij de bron van twijfel vandaan en stapte niet veel later stiller dan anders in bij mij reisgenoot. We gingen nog een hapje eten in het horeca-hart van Sliedrecht. Het bruisende centrum. We bestelden eten, maar ik wist niet hoe ik al dat lekkers door mijn strot moest krijgen. Ik wist niet wat het was waarom mijn keel opeens dichtzat en mijn mond droog was. Het enige wat ik dacht was, heb ik mijn leven op orde? En hoezo…
Omdat we tegenover elkaar zaten had mijn reisgenoot vrij snel door dat er iets was. Maar omdat ik niet goed wist of ik het groter maakte dan het was, schetste ik luchtig de setting en stelde haar dezelfde vraag. Zo neutraal mogelijk. Heb jij je leven op orde? Ze was net in iets aan het snijden, maar liet haar handen op de rand van de tafel zakken. Kneep haar ogen een beetje samen.
‘Sorry?’
‘Iemand vroeg of ik mijn leven op orde had.’ Ze wilde iets zeggen, haar mond ging open. Ze moest nadenken, haar mond ging dicht. Ze dacht bedacht te hebben wat ze wilde zeggen, haar mond ging open. En weer dicht.
‘Hoe… hoe lang heb jij diegene niet gezien?’
‘Zes, zeven jaar?’
‘En dan is deze gelegenheid, na deze twee ceremonies, een mooie kans om iemand te vragen of ze haar leven op orde heeft?’ Ze veegde haar mond af met haar servet en leunde achterover, bleef een tijdje naar de deur van het restaurantje kijken. Ik zag vuur branden achter haar ogen, witheet vuur en de wetenschap dat we op een openbare plek waren, waar andere mensen zaten te eten. Ze verbeet zich. En ik was blij dat ze reageerde zoals ze deed.
‘Weet je waar ik blij mee ben?’ zei ze uiteindelijk. ‘Dat de Gwen van eerdere jaren dit niet meteen zou voelen en de Gwen van nu dus wel. Ja wel voelen, je hoort wat ik zeg hè? Eerdere Gwen zou het slikken. Pas na een paar dagen of weken of misschien wel maanden merken: wacht even, dit is eigenlijk niet oké. Hoe kan iemand in godsnaam zijn leven op orde hebben als diegene net zijn partner is verloren? Hoe kan iemand zijn leven op orde hebben als diegene mantelzorger is van haar man èn haar moeder en daarnaast ook nog een baan heeft met verantwoordelijkheid? En wat is in godsnaam op orde!? Is dat een elektrische auto voor de deur? Is dat twee kinderen en vliegvakanties?’ Haar ogen waren groot en ze had moeite niet te hard te praten. Tranen welden op. Bij haar en bij mij.
‘Weet je wat ik denk?’
‘Nou?’
‘Als je je leven op orde hebt… kan je kist dicht.’
Ik h i e l d het niet meer. Ik moest zo vreselijk lachen, we beten allebei in onze servetten om maar niet in luid gegier los te barsten. Mijn. God. Wat. Was. Dat. Fijn. Tranen over mijn wangen. Van woede, vanwege het onrecht, maar ook om de ontlading. Het klopte wat ik voelde. Het deed zeer en terecht. Met buiken vol ongeloof rekenden we af en liepen richting kerkhof. Want we moesten natuurlijk ook nog even de andere Cornelis gedag zeggen.
Kwamen we onderweg langs een lunchroom. Waar, dat wist ik nog, de gastheer van ons bruiloftsfeest zijn nieuwe stek gevonden had. Bij wie ik amper twee jaar later het condoleren na Cees’ begrafenis liet plaatsvinden. Omdat ik wist dat er veel mensen zouden komen. Omdat veel mensen afscheid zouden willen nemen van Cees. Ik wilde iedereen die kans geven elkaar te spreken na zijn plotselinge vertrek. Dus in een feestlocatie. Met veel ruimte. Bij een gastheer met het hart op de juiste plek. Ik keek door de ruit. Niemand te zien en ik maakte aanstalten om door te lopen.
‘Ja ho,’ zei reisgenoot, ‘ik zie mensen. Klop effe aan, effe een vriendelijk hoofd.’ Ik klopte aan en zag iets bewegen. Er kwam iemand dichterbij. Er werd een deur van het slot gedraaid, er kwam een beer naar buiten en twee berenarmen omhelsden me.
‘Hoe is het voor jou om hier te zijn?’ vroeg hij. Ik kon er niks aan doen, er kwam niet iets heel vriendelijks uit op dat moment. Hoe mooi de ceremonie ook was, ik moest nog even bedenken of ik mijn leven op orde heb en over wie dat het meeste zegt. Mijn verstand zei natuurlijk: ‘ja aan d’n dieje,’ maar mijn onzekerheid gilde: ‘IS DAT WEL ZO?’
‘Weet je?’ zei de gastheer nadat ik hem cryptisch had verteld wat er gebeurd was, ‘Sliedrecht blijft Sliedrecht. Never a dull moment.’ Op dat moment keek ik naar mijn reisgenoot, wiens ogen bijna uit haar kop rolden. Ik voelde ook iets, maar kon het niet thuisbrengen. We kletsten nog wat, namen afscheid na weer een bearhug en liepen verder. De straat uit, naar de rotonde. We staken over en betraden het kerkhof. Waar pas bij het graf van onze Cornelis mijn reisgenoot tegen zijn zerk zei:
‘Gebruik jij die aardige gastheer nou als handpop, smiecht?’ Ik keek haar aan. ‘Heb je het niet gehoord?’, zei ze. ‘Hij zei precies hetzelfde als jij tegen die medemens met diens goeie intenties. Never a dull moment.’ Verhip… Verfuckinghellhip. ‘Ik denk dat dit het is waarom je hier naartoe gekomen bent, vandaag,’ zei ze. ‘Dit, dat iemand zo’n vraag stelt, is gewoon een test. Om te zien of je gegroeid bent. Even een herinnering aan de Gwen die zich omringde met mensen die minder over haar dachten.’ Ze maakte dezelfde beweging. Een kolibrie. ‘Kolibries kunnen achteruit vliegen hè? Dat is wat jij nu aan het doen bent. Mensen die jou klein maken. Met de beste intenties van de hele wereld ook nog eens. Dat ben jij nu aan het doen. Vlieg maar lekker achteruit jij.’
Ik ging op mijn hurken zitten. De glanzende zerk reflecteerde een weduwe. Een weduwe met een huis. Met een baan. Met een opleiding. Met een passie. Een weduwe zonder trouwring. Met een hart zo open dat ze zonder schuldgevoel verliefd kan worden. Die in het openbaar durft te stikken in emoties. Die het lukt dingen op papier te krijgen. Die vrienden heeft. Die haar leven op orde heeft.
Een stoeptegel zo gesneden dat er precies in het hoekje een struikelsteen paste. Zand werd weggehaald. Na de toespraak liet de locoburgemeester de struikelsteen in het gat glijden. Naadloos. Daarna werden de randen opgevuld met cement, er werd wat water overheen gespoeld, de randjes werden zorgvuldig aangestreken. Er waren mooie woorden. Een minuut stilte. Daarna werd de struikelsteen gepoetst met een zakdoekje. Iemand legde een witte roos. En liep weg.
