vossen en repen

Naast mijn werk in de pillenverkoperij, de smeerselaansmeerderij, de metdozenloperij, mag ik soms opdraven bij theaterklusjes. Die komen vrijwel altijd uit de hoek van het Land van Ooit waar ik tot het bittere einde werkte en waar ik een familie aan overgehouden heb. Sommige leden van die familie ken ik al dertig jaar en als je elkaar dertig jaar kent, dan zijn er situaties waarbij je niet zoveel hoeft te zeggen.

Bijvoorbeeld als je om half zes in de ochtend bij hem aanklopt, omdat je samen een ontvangstklusje mag doen in een stad met wolkenkrabbers. Waar je moet zijn vóórdat de mensen die in die wolkenkrabbers werken naar hun kantoren komen. Dan hoef je niet veel te zeggen. Dan sta je knikkebollend in zijn keuken. Hij vraagt niet of je een banaan wil, hij geeft ‘em gewoon en jij neemt ‘em aan. Hij loopt voor je uit de gang op met een koffer vol kleding, jij graait zijn telefoon van het aanrecht. Was hij naar mij toegekomen had ik die banaan in zijn hand geduwd en was ik mijn telefoon vergeten. Zo hoort het. Pas toen halverwege de eerste zonnestralen over de velden kwamen kijken klonk er iets van instemmend gemompel in de verder stille auto.

En toch zouden we niet zijn wie we zijn, Ooiters, als we niet veel later tussen de wolkenkrabbers stonden met onze grootste glimlach en ons meest gastvrije overkomen. Nou hadden we best wat informatie te verschaffen waar ik je niet mee ga belasten, maar een andere taak die we hadden was het uitdelen van granolabars. Honderden. Granolabars. Aan mensen die als bijen de torenhoge korf in- en uitzoemden. Nederlandse bijen. Buitenlandse bijen. Bijen in nette pakken. Bijen in sweatpants die het hele dag achter een pc zitten dragelijk maken. Lust u een lekkere granolabar?

Omdat hij en ik al dertig jaar teruggaan, zijn we natuurlijk ook heel goed geworden in gesprekken voeren zonder dat ons publiek daar iets van merkt. De klant komt immers op 1, niet omdat het moet, maar omdat we het zelf zo leuk vinden. Niets zo genoegdoenend als aan een vreemde een schater onttrekken. Ondertussen hebben hij en ik een gedeelde liefde voor geschiedenis en begeven we ons ook wat dat betreft een beetje in hetzelfde kringetje (ja: dubbel familie dus) en zo kwam het dat het volgende gesprek zich voordeed. Vanochtend. Tijdens het ontvangst. Tussen de wolkenkrabbers.

‘Maar nou moet ik dus voor dat festival -en natuurlijk heb ik ja gezegd- een verhaal vertellen, lust u een lekkere granolabar? Fijne dag vandaag! Maar ik wil dat het historisch klopt. Dus ik dacht, lust u een lekkere granolabar? Alstublieft. Ik duik in Reinhard de Vos, dat kent iedereen wel een beetje, al is het maar van naam. Beetje over beesten vertellen, keileuk. Nou, over koude kermissen lust u een lekkere granolabar? Gesproken:’ Hij somde op met de fonkeling van frustratie in zijn ogen. ‘Hou je vast. Er wordt een wolf verkracht. Een kip vermoord, nootjes, zaden en agavesiroop, superlekker en de beer eindigt als handtasje. Plus: er komen ik weet niet hoeveel idiote namen in voor die ik met geen mogelijkheid ga onthouden. Lust u een lekkere granolabar? Ik bedoel, waar is het ezelsbruggetje tussen Panser en bever? Ik vind Panser niet bepaald een typische bevernaam. Bruun voor de lekkere granolabar beer is nog tot daaraan toe, maar Cuwaart voor een goeiemorgen haas? Daar bovenop komt ook nog eens een hele fijne dag dat er ook mensen in voorkomen, als in, mensen mensen. En het loopt niet eens goed af met nootjes, zaden en agavesiroop. En ik heb niet zoveel zin om de kinderen in mijn publiek met een lekkere granolabar trauma naar huis te laten gaan.’ Het plein tussen de wolkenkrabbers was heel even leeg. Hij slaakte een zucht van vermoeidheid.

Als je dit blog al een tijdje volgt, dan voel je aan alles hoe ondertussen mijn schrijfbrein als een stoomloc op gang kwam. Bij iedere jammerklacht gingen mijn handen harder jeuken. Hoe krijg je de vos -nee- De Vos Reynaerde omgebouwd tot een behapbaar verhaal dat in een kwartiertje verteld kan worden? ‘Wil je me straks in Utrecht afzetten?’ ‘Huh?’

Ding is, ik had aan het eind van de dag ook nog een presentatie. Van de kersverse gedichtenbundel van een van mijn docenten van school. Plan was gewoon met mijn oude Ooitmaat terug naar huis te rijden, maar omdat de presentatie in de Utrechtse bieb te doen was en a l l e s in mij brulde op onderzoek uit te gaan, vroeg ik hem of hij me aldaar af wilde zetten.

Drie uur te vroeg nestelde ik me onder het schuine dak van het oude postkantoor op de Neude. Papier en twee vulpennen in de aanslag. Met literatuur binnen handbereik en Wikipedia open. Hoe. The. Fuck. Zit. Dit. Verhaal. In. Elkaar? Ik maakte lijstjes. Dieren. Namen. Gebeurtenissen. De klok tikte. Ik richtte een bloedbad aan onder de personages tot alleen de sterkste karakters overbleven. Het was een feest om te doen, ik wilde kijken of het me lukte het verhaal zo in te dikken vóór de presentatie om half 6 begon. Ik was Reynaerde zelf. Karaktertrekken van een beest dat het veld moest ruimen hief ik over naar een beest dat wel mocht blijven tot er een vijftal scènes overbleef. Ik klom in de pen op mijn telefoon. Met een beetje mazzel lukte het me het extract kort en bondig te delen. Het was inmiddels tien over vijf, kom op Gwen. Schouders eronder!

Om tien voor half 6 greep ik mijn spullen en haastte me naar de foyer van de theaterzaal, waar ik me bij wat klasgenoten voegde. De presentatie was mooi, het is ontroerend een docent van kleur te zien verschieten, maar echt helder was ik niet. Ik zat nog op een wolk te krabben. Na afloop dronken we wat en proostten op de doop van zijn jongste. Een mevrouw van de bieb ging rond met granolabars.

Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *