suikerzakje

Heb er geeneens een foto van, van het suikerzakje. Ik had ‘em al lang en breed in het prullenbakje gefrut, waar hij uitgleed en op de grond viel. Waarna ik hem oppakte, hannesend met mijn volle beker en dieper wegstopte om vervolgens weg te lopen en op bankje te gaan zitten, nippend van mijn cappuccino… OMG DAT SUIKERZAKJE.
Het was een suikerzakje van papier. Langwerpig met in vet font ‘rietsuiker’ erop gedrukt, want dat is de taal van de stationskiosk op dit moment. Passend (had ik me daar b i j n a matchend geschreven) bij het industriële karakter van het interieur, met de metalen frames en de hanglampjes en de zwarte muren. Prachtig vind ik het, kan me de vorige uitdossing al niet meer voor de geest halen. Dat ze de stijl hebben doorgevoerd tot de suikerzakjes vind ik helemaal top, de duvel zit immers in de details, geloofwaardigheid ook en dan vind ik dat ze daar nog de beste cappuccino schenken ook, helemaal op grijze decemberdagen.

Maar dat suikerzakje. Ik realiseer me overigens nu pas dat de architect van de kiosk in een auto rijdt, maar wacht, mijn eerste gedachtegang was, nee, wacht, nu loopt alles door elkaar heen. Eerst dit. Ik zat op het perron met mijn cappuccino. En ik dacht aan het suikerzakje dat ik net tot twee keer toe in het vuilnisbakje moest doen, omdat ‘ie zo vol zat dat mijn bijdrage in eerste instantie niet geaccepteerd werd door zwaartekracht. Iets zo diep mogelijk wegduwen zonder de omgeving aan te raken kan ik niet goed, daar ga ik van huppelen en ik steek er mijn tong van uit, omdat ik niet weet wat of hoe, maar troep op de grond laten liggen was ook geen optie, dus toch maar oppakken en wegduwen, maar dat is niet waar ik aan dacht toen ik op mijn trein zat te wachten. Ik dacht ook niet eens aan het suikerzakje. Ik dacht aan de suiker in dat suikerzakje. Die was namelijk gaan klonteren. Van zout weet ik dat het klontert, dat suiker klontert wist ik eigenlijk ook wel, maar ik had het nog nooit zo gezien. Bij mij thuis is de suiker hermetisch afgesloten van de rest van de wereld vanwege mieren. Mieren zijn er alleen in de zomer, ik weet het, maar ik ga niet ieder voorjaar mijn suiker in een zomerpotje doen, om het een half jaar later in een winterpotje te doen. En ja, soms is er wel eens klontvorming, zoveel suiker gebruik ik niet. maar op de een of andere manier zijn dat altijd mooie, solide klonten. Niet de korrelig-semi-smut-drapperige substantie die ik uit het suikerzakje moest knijpen. Beetje als ouwe verf uit een roestige tube of vezelrijke poep. Het deed verder niets af aan de beleving, de cappuccino was nog net zo zoet en lekker (want het is december), maar het zette me wel aan het denken.

Wat ben ik toch een verwend nest dat ik daar iets van vind. Zat ik daar, ruim op tijd voor mijn trein, met een bakkie pleurt op het perron. Het was fris weer, lekker koud, het woei nie, het regende niet, ik was een dag vrij en kon mezelf op een cappuccino trakteren. Wat boeit die suiker dan, niks toch? Kortom, het was een dag van kleine, mooie dingen en klonterige suiker. Maar nu ik thuis zit en denk aan hoe Kiosk haar suiker, melk en houten roerstaafjes presenteert, namelijk in hangende bakjes aan de buitenkant, pal boven vuilnisbakjes, realiseer ik me dat dat bedacht moet zijn door iemand die nooit met de trein gaat. Hoezo hang je bakjes met daarin spul in een papieren verpakking buiten? Dat is toch vragen om een klam overkomen? Hoe zit dat eigenlijk met andere stations? Amsterdam heeft haar Kiosken onder de perrons. In Eindhoven zijn de Kiosken ondergronds en op de perrons. Ik hoor een onderzoek. Mooi zo, het schooljaar kan beginnen. Ik heb een eind in de ruimte gekletst en nu ben ik serieus nieuwsgierig naar hoe andere stations hun suikerzakjes aanbieden. Neem ik de volgende keer wel mijn koffie-thermosje mee, dat scheelt in de kosten.

Is het me serieus gelukt eindelijk weer iets onzinnigs te schrijven?

dwergen

Geluk moet je delen, niet waar? Het is niet echt revalideren wat ik doe, er is geen grote impact geweest of een heel proces in een ziekenhuis, maar ik heb wel het gevoel dat ik door een heel klein oog van de naald gekropen ben met de nipt op tijd ontdekte verdraaiingen in mijn nek en rug. Werken gaat weer voor de volle 85-90%, ik betrap mezelf op dansen tijdens de afwas en stapje bij beetje pak ik ook weer steeds vaker een boek.

Nou is lekker lezen -eerlijk is eerlijk- het minst geliefde onderdeel van mijn gym-routine. Technisch lezen gaat prima, redactie, huiswerk, artikelen voor werk: prima. Maar het wegzakken in een boek, er echt lekker in komen… Ik worstel met hoe ik een boek vasthoud, hoe ik mijn ogen moet positioneren, ze zijn vaak moe en ik ben bang voor het besef dat ik na een uur niet meer weet wat ik gelezen heb. Dat herhalende gevoel van iets dierbaars verliezen, dat met de jaren erger werd, ook al was dat dierbare nog maar seconden oud, werd op een gegeven moment groter dan het leesprobleem zelf. Ergens in mij was een zwart gat waar al dat moois in verdween en waar zat dat zwarte gat? Geen idee. Ik dacht dat het rouw was, berustte me erin, wurmde me in bochten, blufte me overal langs, want met mijn liefde voor boeken en verhalen zit het wel goed, maar uiteindelijk bleek het helemaal geen zwart gat te zijn, maar een kronkel in mijn nek.
‘We should be able to fix that,’ zegt mijn chiropractor, waarna hij me liefdevol in een houdgreep neemt, in mijn gezicht ademt en mijn nek breekt. Ik hou van hem. Hij breekt mijn nek niet, het klinkt alsof hij mijn nek breekt, wat hij doet is de tuinslang (mijn graat) rechttrekken waardoor er steeds een beetje meer informatie van A naar B gaat. Hij weet dit niet, maar steeds als ik bij hem vandaan kom moet ik huilen van geluk. Het is alsof het voorjaar is in mijn hoofd. Het is een grote informatieve trip waar ik op dit moment in zit en het wordt met de dag mooier.

Vorige maand haalde ik de Hobbit al uit de grote boekenkast en legde hem naast mijn kussen. Afgelopen halve jaar miste ik door werk of school de jaarlijkse filmmarathon met vrienden en ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Het zijn nondeju de mooiste films ooit. Voor mij dan hè, ieder zijn meug. Het filmproces voor en achter de schermen vind ik zo onbeschrijflijk prachtig, de personages zijn zo toepasbaar op onszelf en de muziek is om te janken. Ik sluit een bijzonder goed jaar af, maar… wel eentje zonder De Marathon, dus Tolkien begon te jeuken; het algoritme op Instagram bracht me steeds vaker naar Midden-Aarde, Howard Shore kwam steeds vaker voorbij tijdens de afwas en een ex-vriendje is terug in mijn leven en ik communiceer met hem l o u t e r in lotr-memes. Met mijn verjaardag kreeg ik de 18 uur durende versie van ‘they’re taking the Hobbitis to Isengard’ en met kerst: Het Gezelschap in de mijnen van Moria, terwijl heel in de verte de eerste klanken van ‘All I want’ verschijnen, vergezeld door het vernietigende oranje licht van de Balrog en natuurlijk: ‘Gondor calls for aid!’ ‘And Ro-Ho-Ho-han wil answer.’

Ik durfde het niet aan, maar gisteren, nu de koorts wegebt en ik me klaar voel voor 2026… ben ik met een dekentje en een potje thee op de bank gekropen met the Hobbit. Die al meer dan twintig jaar ongelezen in de kast staat. Als jonge vrouw wel gelezen, maar net als het Rusland van de 19de eeuw of het Engeland van de 18de eeuw moest Midden-Aarde op een gegeven moment wijken voor zorg. En nu staat de nek recht. Rechter, in ieder geval. Bilbo heeft zich aangesloten bij de Dwergen, ze zijn de trollen gepasseerd en hebben Rivendel verlaten, onderweg naar Smaug. En wat krachtig is dan de muziek van Howard Shore! Na tientallen keren de films gezien te hebben (er staan zelfs muziekstukken op mijn uitvaartlijst), te zweren bij de psychologische kracht van alle karakters en hun processen, duik ik nu zelf met het grootste gemak onder. Hoofdstuk voor hoofdstuk. Pauzes tussendoor, een wandeling, een afwasje, even strijken, verhaaltje schrijven. Mensen, wat is klein geluk toch groot. En dan weer terug op de bank, hup. Ga ik nu ook weer doen. Heb jij een boek dat je meeneemt naar een onbewoond eiland?

(kouwe) kus

We hebben geen schreeuwerige etalages of Wham! nodig om te weten dat het kerst is: als de balans van vitaminen en thee verschuift naar rustgevende spullen en skincare, dan weten we wat er aan de hand is. Klanten zijn korter af, hebben haast (vooral de boomers) en zijn overal met hun gedachten behalve op de plek waar ze op dat moment zijn. Telefoons dragen daar inderdaad ook aan bij, al hebben bij ons de meeste boomers geen telefoon nodig om zichzelf helemaal over de flos te haasten.

Maar ik heb de Source gedaan en ik ben nog high van alle inzichten die ik heb opgedaan. In mijn vorige stukje tik ik er wat uitgebreider over, dus dat doe ik nu niet, maar het leidde wel tot de volgende anekdote.

Ze kwam op me af met een boodschappenbriefje. Een boomer die overal was met haar gedachten… behalve bij degene die het dichtst bij haar stond, namelijk ondergetekende. En als ik zeg, ‘het dichtst bij stond’ dan bedoel ik dat in dit specifieke geval heel letterlijk: ze stond snoei-dichtbij, op mijn tenen zowat. Mijn collega’s zouden zeggen, die kwam in je aura. Het gebeurt vaker, we zijn eraan gewend. Meestal is het cultureel bepaald, mensen die uit drukke gebieden komen (New Delhi bijvoorbeeld) hebben minder met persoonlijke ruimte als concept. Meestal kan je dit met een veelbetekenende stap achteruit duidelijk maken of in uiterste nood met een handgebaar.

Maar deze (overig Nederlandse) mevrouw was zijwaarts ingevlogen. Dus een stap achteruit of een handgebaar zouden volledig langs haar op gegaan zijn. Lezend op haar briefje was ze op me af gestormd en vlak voordat ze zou crashen, draaide ze bij, met haar schouder ter hoogte van mijn borstkas zonder door te hebben dat ze Dichtbij stond. Het waren de dagen voor kerst, ik was high en stond op hakken, met andere woorden: ik week geen centimeter en liet haar ratelen over wat ze allemaal nodig had. Ik weet nu al niet meer wat het was. Ze kwam zo dichtbij dat ik niet kon zien wat ze zei of wat ze nodig had, ik zag alleen maar een hele leuke, maar overstresste mevrouw. En, belangrijk detail, ze droeg een hanger van Iers zilver met de steentjes van alle chakra’s erin, dus ik voelde al, deze is eigenlijk heel leuk. Het zijn de omstandigheden die maken dat ze me niet ziet. Dus ik bleef staan waar ik stond, ruim een halve kop groter dan zij.

‘En dan wil die en die dat ik dat en dat haal en dat hebben jullie vast niet en die wil nog een kerstthee, maar die zal wel weer uitverkocht zijn en oh ja ik had ook gehoord dat…’ ik weet echt niet meer wat ze allemaal zei. Ik zag alleen maar de zijkant van haar hoofd en haar wang.
‘Mevrouw. U staat zo dichtbij, ik kan u bijna een kus geven.’ Waarop de mevrouw verder ratelde over dat ze niet wist waar alles stond, terwijl achter mij mijn collega dubbel klapte van het lachen. Het was heel lastig om een professioneel hoofd te trekken, gelukkig hadden we niets van wat op haar lijstje stond in huis, dus ik feliciteerde haar dat ze relatief snel door kon naar de volgende winkel.
‘Gefeliciteerd!’ ‘Dank u,’ zei ze vertwijfeld.

Het was een kleine, blije anekdote. Ik schreef ‘em gisteravond na twee dagen flinke griep. Het concept alleen zijn met kerst was altijd een gebied dat met een grote bocht vermeden diende te worden en nu stond ik er opeens voor. Met slappe knietjes en waterige ogen. Ik had geen keuze en liet me overspoelen, met als gevolg: prima dagen gehad. Pendelend tussen bank, bed en douche. Beetje jammer van de afspraken die ik had staan, maar och dat lijf. Het had er echt geen zin meer in. Dus alle dagen vroeg naar bed met mijn kruik, hopend op aaneengesloten nachten.

Het nare van koorts is dat ik eigenlijk nooit droom, maar dan wel. Vallende dromen. Type Alice in Wonderland door een tunnel naar beneden flikkeren of op het dek van een immens vrachtschip staan en kapseizen. Iets met groot en diep, ik sta ook liever op een toren dan eronder. En ja hoor, daar ging de Titanic. Heb geen ijsschots gezien, maar Bernard Hill kwam voorbij, DEATH scanderend (totaal andere film, maar dat boeit niet in koortsdromen) en vervolgens lag ik naast een plank in ijskoud water. En er klopte iets niet aan dat ijskoude water. Een ex-vriendje van me fluisterde nog iets liefs, de ruimte waar de Essence en de Source gegeven werden liep vol water en ik dacht alleen maar, meestal weet ik dat ik aan het dromen ben. Waarom voelt dit niet als dromen?

Was m’n kruik lek. Jongens. Matras, beddengoed, pyjama (want met koorts slaap ik in zoveel mogelijk laagjes), alles was doorweekt. Eerst dacht ik nog, is het wel die kruik, maar dat was het gelukkig wel. Gewoon zuiver water uit de kraan, een extra tandje frisser door het open raam. Ik had het k o u d. Ik had het zo verdomme koud. En ik heb het nooit echt koud, ik hou van de winter, maar nu… slaapdronken stond ik in mijn slaapkamer met het grote licht aan te koekeloeren, proberend mijn brein tot nadenken te forceren. Is het pis? Nee. Dus het trekt er vanzelf doorheen. Moet ik echt zeker weten nu alles verschonen? Nee. Wil ik slapen. JA. Ik pakte mijn kruik bij zijn hals. Hij is zo’n lange kruik van bijna een meter, heerlijk om als een inktvis helemaal omheen te krullen ‘s nachts, kwetsbaar op sommige punten. De pluchen vacht die er omheen zat drupte. Het was half twee. Ik was moe. Deed het raam dicht. De kachel aan en sleurde dekbed en kussen mee naar beneden om op de bank verder te slapen.

En vanochtend stuurde ik een appje naar vrienden in het hoge noorden. Ik mis iets in mijn leven. Boogschieten. En zij zijn boogschietvrienden. Na het appje heb ik me op mijn dooie akkertje aangekleed, ben ik naar de stad gestommeld, heb twee kleine kruiken gekocht en een turbo-multivitamine. Nu zijn alle gifstoffen eruit gezweet, op naar een stevig nieuw jaar. En jij, lieve lezer. Waar je ook bent. In Nederland, in Nieuw-Zeeland. Met plannen, zonder plannen… dat wat er in de buitenwereld gebeurt je binnenwereld niet te erg schudt. Blijf overeind, rust op tijd uit. Leun op je vrienden. En dank je wel voor je luisterend oog.