Mijn wijkie ligt in de oksel van de Aa. Waar de rivier een bocht maakt heeft de gemeente een speeltuintje en een omheind voetbalveld aangelegd. Een hoge, uit diepe treden bestaande trap loopt richting water. Via die trap kom je bij het vlonderpad, je kan er heerlijk zitten, maar alleen onder schooltijd, want na school komen de jongetjes. En de jongetjes in mijn wijk leren thuis dat je met schreeuwen het verste komt. En dat leren ze allemaal, dus zodra je ze bij elkaar zet is het meteen een takkeherrie van elkaar overheersen met geveinsd grote strottenhoofden.
Vandaag was ik even naar de winkel. Ik moest mijn kleren nog inleveren en ik wilde de verjaardagen op de werkkalender nog overnemen zodat ik ze op mijn thuiskalender kan schrijven. Op maandag is de winkel pas om 12 uur open, maar het team is er al, want maandag vrachtdag. Dat maakt de maandag misschien wel de lekkerste dag: ongestoord spulletjes op hun plek zetten heeft iets. Niemand die iets vraagt waar of iets staat, niemand die de prijs vraagt (terwijl de kaartjes ervoor hangen), niemand die vraagt of de tweede gratis is (terwijl op het kaartje 1 + 1 staat), de spulletjes staan recht en gespiegeld op hun plek. Ik stond om half 12 voor de deur met koffie.
Wat volgde was een lunch die simpelweg heerlijk was. Op omgedraaide kratten en krukjes, in een kringetje van leukerds, het was ontzettend fijn om na een maand kop in het zand weer even onder de mensen te zijn. Vooral onder díe mensen. Maar het was ook het moment dat ik me uit de groepsapp terug zou trekken. Het hoefde niet, de rest vond het prima als ik nog wat zou rondhangen, maar voor mij voelde het niet oké. Klanten horen niet in bedrijfsgroepen. En ik merkte ook dat als er om hulp werd gevraagd voor andere winkels, mijn hele lijf in beweging wilde komen om de boel maar uit de brand te helpen. Het is immers leuk om in andere winkels te staan, achter andere deuren te snuffelen, nieuwe dingen te ontdekken voor je eigen winkel. Om vervolgens opgelucht adem te halen als je weer in je eigen winkel staat. Alleen het is mijn eigen winkel niet meer.
Ik filmde mezelf in de plee, bij de spiegel. Nog een keer zwaaien, nog een keer een knipoog, nog een keer een kus en einde filmpje. Lap tekst erbij en verzenden en METEEN daarna weg uit de groep. Niet wachten op reacties, niet nog even loeren, meteen bam hup de pleister eraf. Daarna jas pakken, iedereen een knuffel geven en weg. Weg. Wegwegweg. Maar loop maar eens ergens weg als er vier bedremmelde koppies uitgebreid staan te zwaaien met beide armen in de lucht. Als ik had aangekondigd dat ik kwam hadden ze me met zakdoekjes uitgezwaaid, dat weet ik zeker. Gelukkig was dat niet zo. Bedrukt dwaalde ik nog een beetje door de stad, belandde natuurlijk bij Van Piere (er valt anders niet veel te dwalen in Eindhoven) en kocht een boekje over psychologie. ‘Essentiële kennis in 30 seconden’ van uitgeverij Librero. In sneltreinvaart door de geschiedenis aan de hand van theorieën, smakelijk samengevat. ‘Mooi,’ dacht ik, daarmee kan ik zo mooi nog even aan het water zitten.
De jongetjes verplaatsten zich van het overigens hoooooog omheinde voetbalveld naar het water, want eentje had het voor elkaar gekregen de bal in het water te schoppen. Even voor de duidelijkheid: óver het hek heen en de eerste stuiter die de bal maakte was amper twee meter voor mijn neus, dus ik schrok me de tyfus en vervolgens: plons. Eendjes fladderden alle kanten op. En daar kwam de kudde. Heet een groep tegen pubertijd aan schurkende jongetjes een kudde? Bij kudde denk ik aan braaf gras herkauwende koeien. Een zwerm is te georganiseerd, nee het was een roedel. Het klonk als de binnenkant van een asiel, maar dan met woorden, eentje begon zich meteen uit te kleden, maar een gastje in een mosgroen trainingspakkie weerhield de stripper van te water gaan, want de stroming was te sterk.
Mijn ogen bleven bij wat woorden hangen, mijn oren stelden scherp op de roedel. Kennis van stroming is niet wat ik verwachtte. Er werd gehengeld om bij de bal te komen, twee gingen op de vuist, de stripper (overigens een blanke negenjarige met overgewicht) begon gewichtig te doen alsof hij iemand belde, iemand piste, een handvol anderen overschreeuwden elkaar met adviezen, toen moest de schuld bepaald worden en ondertussen dobberde de voetbal tevreden richting de hoek van de Aa. Ik vermaakte me kostelijk. Er kwam een moeder bij met gifrood haar die al rokend vooral haar zoon bij zijn naam bleef noemen (Jayden natuurlijk, het moderne equivalent van de Dennis). De bal werd uit het water gehaald en de roedel viel uiteen. Het liep tegen etenstijd en twee gastjes, waaronder het groene trainingspakkie bleven achter, vissend. De rust keerde weer. Soort van.
‘Juffrouw?’
‘Ja?’
Niks. De gastjes gingen door met vissen. Het groene trainingspakkie mopperde met opeengeklemde kaken tegen het andere gastje.
‘Niet doen joh.’ Ik kreeg steeds meer een zwak voor hem, dus ik bleef zitten terwijl ik eigenlijk van plan was huiswaarts te keren.
Vervolgens gingen ze het over boeken hebben. Boeken thuis, boeken op school. Het andere gastje had geen interessante boeken op school. De opa van het groene trainingspakkie had wel interessante boeken. Over de oorlog en zo. Een opa met boeken over de oorlog en dat interessant noemen.
‘Juffrouw?’
‘Ja?’
‘Bent u een juffrouw?’ Dit keer was het het groene trainingspakkie.
‘Soms.’
Weer een tijd niks. Het andere jongetje begon wel steeds luidruchtiger te worden. Ik gaf ze overduidelijk te weinig aandacht. Maar het brein van het groene trainingspakkie kon ik aan mijn kant van de trap horen kraken.
‘Werkt u op de Kameleon?’
‘Nee,’ zei ik. ‘Als ik lesgeef doe ik dat aan grote mensen.’
’Is dat een leuk boek?’
‘Het is een interessant boek. Over hoe je brein werkt.’
Weer een tijd niks.
‘Wat voelt een vis?’ OOOOOOOHHHHHHMYYYYYYYGODDDDDDDDDD wat een geweldige vraag!
‘Wanneer voelt een vis?’
‘Als je hem heb teruggegooid.’
‘Ah. Waarschijnlijk gaat ‘ie na een tijdje dood, want door het haakje heeft ‘ie een wond in zijn lip waardoor hij niet goed kan eten.’
’Oh. Da’s best zielig.’
Ik zei er niks op, hij trok zelf de beste conclusie.
Weer een tijd niks.
‘HE KIJK DIE EEND BRENGT EEN PLANT NAAR ZIJN NEST!’ Aan de overkant heeft een meerkoet een nest en een paar keer per dag steekt een van de ouders over naar de waterlelies vlakbij de trap. Het is een mooi schouwspel, ik kijk er graag naar. De meerkoet duikt steeds onder om de stengel los te knagen en als het gelukt is, sleept hij het blad achter zich aan naar huis. Het ziet er grappig uit. Het groene trainingspakkie zag het gebeuren, het slepen. Dus ik vertelde van het duiken en het knagen. Dat vond ‘ie stoer.
‘U lijkt op een juf op de Kameleon.’
‘Ah. Is ze een leuke juf?’
’Ja. Ze kan goed vertellen.’
‘Vertellen is belangrijk.’
’Ja.’
Weer een tijd niks, tot er ergens een claxon klonk en het andere gastje de trap oprende om te eten. Hij riep nog dat hij het na het eten wel weer kwam vissen, maar de focus lag overduidelijk op de op handen zijnde prak. Het groene trainingspakkie bleef achter.
‘Ben gelukkig niet helemaal alleen nu,’ zei hij stoer. Ik Googlede ondertussen adoptieprocedures. Mijn maag rammelde en ik had dorst, maar no way dat ik weg zou gaan zolang het groene trainingspakkie er was.
‘Mooi plekkie hier hè?’ Vroeg ik.
‘Echt wel,’ zei hij.
Weer een tijd niks. Tot een man bovenaan de trap verscheen en hem riep. Het groene trainingspakkie verzamelde zijn spulletjes terwijl de man de trap afkwam.
‘Wat is er met je hengel gebeurd, jongen?’
’Ben het haakje kwijtgeraakt,’ zei het groene trainingspakkie.
‘Komt goed, ik heb thuis nog wel liggen. Ga je mee, dan zet ik je bij je moeder af.’
Ik keek opzij, het was de opa. Misschien niet de opa, maar wel een opa. Ik begroette hem, hij groette terug. Samen liepen ze de trap op. Er klonk geritsel van een zak.
‘Ik zal dat brood aan de eendjes geven,’ zei het groene trainingspakkie stoer.
‘Eendjes mogen geen brood jongen,’ zei de opa. Weer geritsel. ‘Da’s helemaal droog, doe maar in de prullenbak hiero.’
Deze dag kende alleen maar mooie momenten. Met het weggaan van het groene trainingspakkie zat het erop voor mij, dus ik sloeg mijn boek dicht en liep weer richting huis. Toen ik vlakbij mijn straatje was, reed er een auto voorbij. De auto claxonneerde. Op de achterbank zwaaide enthousiast het groene trainingspakkie. Morgen ga ik weer.
