Tas.

Twee jonge mensen in mijn omgeving volgden afgelopen jaren trainingen bij Humanication, een bedrijf in Amsterdam dat zakelijke en persoonlijke trainingen aanbiedt. Ik zag ze er met knopen in hun buik naar binnen gaan en een kop groter/licht gevend uitkomen en ik dacht, dat wil ik ook. In hun voetstappen hing ik begin oktober mijn jas op voor de Essence, deel 1 van het hele circus, en deze maand deed ik hetzelfde voor de Source.

Het heeft geen zin om te vertellen wat ze daar allemaal uitspoken. Dat is als een samenvatting geven van een boek dat nog geschreven moet worden. Sterker nog, dat boek is jouw boek, dus als ik van alles vertel dan is het jouw boek niet meer, want mijn boek is mijn boek. Wat ik wel kan vertellen is dat ik voor ik aan school begon in 2021, een nieuwe rugzak kocht. Een zwarte van Fjallraven, zo’n degelijke schoolrugtas waar je laptop, twee drinkflessen, drie boeken, een tent, een fiets en een staande lamp in past. Ik was dol op die tas. Hij hing in kroegen aan haakjes, lag op ranzige stationsvloeren en 99% van alle kilometers die ik afgelopen jaren maakte, maakte ik met hem op mijn rug. Toen ik bij de Essence vandaan kwam droeg hij braaf dagelijks al mijn goeie voornemens tussen werk en huis en dus ook mijn bakje yoghurt met zelfgemaakte granola en l i j n z a a d o l i e. En diezelfde voornemens nam ik ook mee naar de Source… En ergens tussen het hotel waar ik overnachtte en het ritje met de gehuurde fiets naar de trainingslocatie besloot de lijnzaadolie zich langs het rubberen randje heen te wringen en het op een lekken te zetten. Bij het aanmelden had ik opeens een vette hand en van daaruit was het een gladde helling langs balen, boos, verdriet, schaamte (vlekken, waar ik mijn tas ook neerzette), onzekerheid, hilariteit en absolute daadkracht: diezelfde avond nog stond ik met mijn rugzak te douchen, want de wastafel van het hotel was stijlvol, maar niet diep genoeg om alle olievlekken en reisresten eruit te wassen.
‘Wat heb jij vandaag gedaan?’ ‘Ik heb vandaag met mijn rugzak gedoucht.’

Kreeg ik ‘em schoon? Nope. Dus de volgende dagen en alle dagen daarna was het een gesappel met linnen schoudertasjes en met het groeiende besef dat lijnzaadolie lekker is door de yoghurt, maar dat het -als het eenmaal goed ingetrokken is- ook een bepaalde, niet overheersende, maar aanwezige geur heeft. Een soort tinnitus voor je neus, het was er altijd. Het zat in mijn tas, het zat in mijn handen en het hotel was niet fijn, het was ook in mijn mooie nieuwe wijnrode skijas getrokken, ik had geen aansluiting met de mensen van de hotelreceptie en alle andere gasten kwamen uit Oost-Europa en hadden hun clichés met zich meegenomen en ik was nog jarig ook en ik kon tegen niemand aankruipen en overal dat lijnzaad. Ik wreef ervan in mijn handen. Steeds opnieuw. Tot er ergens rond de een-na-laatste dag dat beeld ontstond van Lady Macbeth die ook zo met haar handen wrong. Oh ja, Shakespeare, die vond ik ook zo geweldig. Iedere dag ging er wel een ‘oh-ja-laatje’ open. Bij thuiskomst in het hotel heb ik op een servetje een monoloog van Hamlet geschreven, gewoon om te zien hoe ver ik kwam. En hoe ver ik ook kwam, ik was kei-trots op mezelf.

Vandaag ben ik de stad in geweest voor een nieuwe tas. Eentje waar mijn laptop, twee drinkflessen, drie boeken, een tent, een fiets en een staande lamp in past. Heb het van lichtgevend materiaal gemaakte labeltje van mijn oude tas afgetornd en de rest in de vuilniszak geschoven. Ik denk dat er tijdens het volgen van die twee trainingen een hoop ruis is weggevallen. En dat die ruis heeft plaatsgemaakt voor liefde. Moet nog wennen aan alles. Aan hoe leuk het allemaal is en het was al niet verkeerd. Nu ligt er een grote schep bovenop.

Na mijn ommetje door de stad, bij het Glazen Huis geloerd, heb ik voor het eerst sinds jaren kerstversieringen van zolder gehaald. Eerdere jaren was het niet te doen, waarom iets ophangen als het binnen een maand weer weg moet? Ik baal van de overdaad in de winkels en de stress die het oplevert (in de winkel vliegen de rustgevende pillen als zoete broodjes over de toonbank, dus laat mijn huis maar een kerstvrije oase zijn. Dacht ik. Afgelopen jaren. Nu toch iets van een lampje en een goed excuus om mama’s kastje leeg te ruimen en mooi in te richten. Keer maar naar binnen. De kortste dag is al geweest, de dagen gaan weer lengen. Een dikke trui en de kachel aan en op tijd een wandeling. En als je vastloopt: gewoon de Essence volgen van Humanication. Die trekken je wel weer vlot.

Fijne dagen allemaal en pas op met lijnzaadolie.

Jas.

Beeld je een glazen kom in, ingezeept met Dreft en mij in het midden, spartelend om omhoog te komen, zo voelde school afgelopen maanden. Met zo’n tekenfilm-muziekje eronder van Wile E. Coyote als hij te ver doorgesjeesd is en een poging doet vaste grond onder zijn poten te krijgen, maaiend met zijn coyotepoten. Gevolgd door de ongemakkelijke stilte, zijn blik in de camera en ja hoor een vallend rotsblok of een afgaande bom. Beep beep. Waar ik eerder jaren moedig spartelde om omhoog te komen, werden de wanden gladder en mijn werk onleesbaarderder. Kreeg zelfs feedback van een eerlijke lezer, dat mijn schrijven veranderde tijdens school. D*mn woman, wat kan een mens zichzelf lang iets moois voorhouden.

En dus zit ik nu in een skipak op de bank. Sterker nog, ik zit in een wijnrood skipak op de bank. Dit is het ding, mijn prachtige, zwarte wollen mantel is aan het vergaan. Die ene mooie klokkende jas, die. Waarin ik me zo ontzettend schrijver voel, al is het maar om de versleten voering en de gaten in de rug die afdwingen dat ik a l t i j d een rugzak draag. Niet omdat ik zoveel met me meesjouw, maar omdat ik me schaam en ik heb ‘em al twee keer naar de kleermaker in Orthen gebracht.

Ik deelde niets van wat ik schreef. Alleen klasgenoten en docenten kregen onder ogen wat ik maakte en in het eindstadium misschien een vriendin, maar doorgaans wilde ik niet dat er ook maar iets online kwam te staan. Achteraf kan je daar van alles achter zoeken, wat ik nu dus ook doe, al bloggend en delend. Delen, verbinding maken, ik denk gewoon dat dat het mooiste is van mens-zijn. Of van leven an sich, beestjes en plantjes verbinden zich immers ook. Waarom deed ik dat niet?

Dus appte ik vanochtend een van mijn oudste vrienden dat ik een winterjas zou gaan kopen.
‘Oei, dat is een Ding voor jou.’ Ik was vergeten dat hij op zijn beurt wist dat mijn moeder -als ik haar uitnodigde voor een middagje winkelen- altijd zei: ‘Als we maar geen winterjas gaan kopen.’ Een grapje dat vast voortkwam uit kinderdrama of puberdrama, wat ik me niet kan heugen, weet dus ook niet waar het op gestoeld is, maar wat dus wel een Ding werd.
‘Stuur me een foto tijdens het passen,’ appte hij.

En toen ging het balletje rollen. Van een afstandje keek hij mee, dus ik kon dit proces niet afraffelen. Ik moest met iets goeds komen, wat goed ook in godsnaam betekent. Er zijn twee outdoor-winkels in de stad, de ene is een grote naam -het knaagdier- en de andere een tweedehands winkel. Van mezelf moest ik eerst naar die tweedehands winkel om te kijken wat er op de markt is, wat voor kleur ik wil, welk materiaal, wel geen capuchon, andere merken. Warenonderzoek. Als ik daar was geweest mocht ik van mezelf naar het knaagdier om binnen een kwartier een jas te kopen die a, duur is en b, vooral praktisch is en niet persé mijn ogen laat fonkelen. Want als je daar ook nog naar moet zoeken, dan kan je zoeken tot het voorjaar en tegen die tijd heb je geen winterjas meer nodig. Ik kon het niet maken met zoiets aan te komen kakken, er keek er eentje mee. Moedig wandelde ik de stad in, deze klus zou ik met aandacht klaren.

In de tweedehands winkel in de Vughterstraat naast de Albert Heijn was het rustig. Ze waren nog maar net open, als in letterlijk drie weken pas. De zaterdag post-Sinterklaas-pre-kerst-stress moest nog op gang komen, ik was op tijd. De boel hing op kleur, dat oogde rustig, er stond fijne muziek op, nergens schreeuwende reclames van merken die je gelukkig maken en dingen die ik moest lezen, gewoon rekken met kleren punt. En nog een vriendelijk hallo bij binnenkomst ook.
‘Hé Meindl, je bent een liefhebber,’ zei de eigenaar. Hij had het over mijn schoenen. Oehlala, een vakidioot. Als ik ergens op aanga is het op vakidioten. ‘Je moet ze wel even invetten zie ik, anders verlies je waterdichtheid.’ Hoe wist hij dat ik vorige week nog natte sokken had? Shit. Ik kwam voor een jas, maar voor ik het wist werd er een partij wandelschoenen tevoorschijn getoverd die hij eigenlijk niet meer verkocht, maar nog wel had liggen en wat is je maat eigenlijk? Wil je koffie? Ik heb dus maat 8 en koffie op en nieuwe schoenen. En een skipak. Want met het schoenen passen hielp hij fantastisch en bij het jas zoeken liet hij me op mijn dooie akkertje op mijn sokken door de winkel slenteren. Ik wist niet dat ik dat nodig heb. Slenteren. Van het ene rek naar de andere, voelen, kijken, overwegen. Winterjassen van tegenwoordig lijken over het algemeen opgeblazen vuilniszakken, dat vind ik zo niet mooi. Andere mensen kunnen ze heel goed hebben, maar ik heb altijd de neiging om in zo’n jas te prikken met iets scherps of aan een touwtje te trekken. Gewoon om te zien of ze als een leeglopende ballon door de ruimte zwieren of opblazen tot opblaasboot.

Tussen al dat puf en glans hing een wijnrode jas. Niet te lang, want ik moet ermee kunnen fietsen. Bestand tegen stevige kou, want ik wil meer wandelen de komende tijd. En hij had een randje pels rond de capuchon wat me deed denken aan de hoes van Paul Simons album Paul Simon die ik nu voor het gemak ook maar opzet.
‘Mag ik deze passen?’ ‘Tuurlijk!’
Onwennig tilde ik de jas van het rek. Hij was onverwacht zwaar. Er kwam een broek onder vandaan. Dit was het moment waarop mama er iets van zou vinden, waarop iets mis zou kunnen gaan, want wat moet ik met zo’n pak, maar jas en broek horen bij elkaar dus nou ja. Achterin de winkel, achter wat rekken, trok ik eerst de jas aan, die zat heerlijk. Hij had van die hand-insteek-dingen waardoor je mouwen niet terugtrekken naar je polsen, waar ik nog wel eens last van heb met mijn lange armen. Het wijnrood sloot mooi om me heen en voelde warm. Toen toch ook maar die broek en oh, daaronder hingen ook nog een thermo-truitje en een vest. Allemaal wijnrood. Van zacht, soepel materiaal. Hoog aaibaarheidsgehalte.
‘Het is allemaal één prijs,’ kwam de jongeman nog even vertellen, maar ik wist het al. Ik stuurde een foto naar de kritische vriend. ‘Yup,’ reageerde hij.

Op de terugweg, lopend met twee grote tassen vol skipak en een schoenendoos onder mijn arm mijmerde ik een eind weg. Vorig jaar rond deze tijd kreeg ik van de juf jeugdliteratuur het beste advies dat ik misschien wel ooit gekregen heb, wist alleen niet hoe het moest. Ze zei: ‘Jij moet dicht bij jezelf blijven.’ Dus ik ging eigen verhalen opschrijven, eigen ervaringen in een prozaïsche jas en gleed met opgewekt gemoed kont-eerst in een glazen kom met Dreft langs de randen en nu hang ik geplet tegen een andere rots of sta ik geblakerd als een verbrandde lucifer te koekeloeren, jij mag kiezen. Zo gaan die dingen, zou Cees zeggen. Dicht bij mezelf blijven, is de conclusie tot nu toe, zit niet aan de binnenkant, dicht bij mezelf blijven is in verbinding blijven met de mooie buitenkant. In januari begin ik aan het vak essay en ik ga een warme winter tegemoet.

En OH! Ga maar naar Tweedehands Outdoorkleding & Skikleding in de Vughterstraat. Ze hebben alles en ze zijn lief.

het meeste valt ernaast/winkelperikelen

‘Nou, als dit geen geweldige dag wordt, dan weet ik het niet meer,’ zei M. nadat Vlad de winkel had verlaten. Vlad heet overigens helemaal geen Vlad, maar ik noem hem zo omdat hij zich voorstelde met de naam van een andere Rus van omvang en ik kan klanten natuurlijk niet bij naam en toenaam noemen. Nou denk je bij Vlad waarschijnlijk aan iets blanks, maar Vlad was een prachtige Afrikaanse meneer met een vriendelijk gezicht, een open karakter en beperkt internet op zijn telefoon, dus kwam hij bij ons een mailtje sturen, want gratis WiFi.
Even de setting neerzetten: De winkel was amper een kwartiertje open, ik was net gearriveerd, had mijn jas nog aan en stond te kletsen met M. toen Vlad zich in ons gesprek mengde. Hij vroeg hoe het met ons ging.
‘Geweldig,’ zei ik. ‘Ik mag vandaag met deze werken,’ ik knikte naar M ‘en straks komt er nog een collega die minstens net zo lief is. Ik kan mijn geluk niet op.’
‘Goeie mensen op werk is a l l e s,’ zei Vlad. Wat M en ik natuurlijk beaamden en vervolgens vroegen wij hoe het met hem ging. Hij bibberde. Koud? Nee hoor, Vlad had het niet koud, pochte hij moedig, sterker nog, volgens hem was het al bijna zomer. Het is altijd ergens over de 20 graden en we zijn bijna op de helft van het koude seizoen, dus waar hebben we het over. Ril ril. Zo hield hij zich overeind nu de eerste rijp op de velden lag. Hij huiverde lachend.
‘En dan ook nog al die regen hier,’ jammerde M (die van fietsen door regen houdt) dramatisch.
‘Ah!’ Zei ik. ‘Jij bent ook een rasoptimist, dan kan je deze goed gebruiken. Weet je wat zo leuk is aan regen?’
‘Nou?’
‘Het meeste valt ernaast.’
Het maakte niet meer uit. Al zou het echt met bakken uit de hemel komen en vriezen tegelijk, Vlad had medestanders gevonden in zijn optimisme. Toen niet lang daarna collega R nietsvermoedend binnenkwam met drie bakken goeie koffie was het feest compleet. Vlad gierde van de pret: drie nogal uiteenlopende vrouwen die ontzettend veel plezier met elkaar hadden op de werkvloer en wij gierden net zo hard met hem mee. Daarna moest Vlad weer verder, we zwaaiden hem uit.
‘Als dit geen geweldige dag wordt…’. Zei M toen Vlad uit beeld verdween. Little did we know.

Een bloemlezing is een selectie. Je krijgt dus niet álles van vandaag te lezen, want voornamelijk waren het kleine dingetjes die op de grote berg belandden, maar er waren er toch wel een paar die met kop en schouders boven de rest uitstaken.
Zo was er de man die geen goedendag zei, maar zijn telefoon met daarop een plaatje van een of ander potje met een of ander spul, bijna tegen mijn neus aan duwde. Zo dichtbij dat ik het amper zag.
‘This.’
‘Cool,’ zei ik.
‘This.’
‘Yes.’
‘THIS.’
‘What is your question exactly?’
‘Where?’
‘Oooooooh.’

Zo was er de vrouw die exact wilde weten hoeveel retinol er in onze crêmes zit. Van alle crêmes. Alle merken, alle soorten. Niet óf er retinol in zat, maar hoeveel retinol.
‘Goeie vraag,’ zei ik. ‘Als u links bovenin begint met het lezen van de wikkels van de potjes, dan begin ik rechts onder. Treffen we elkaar halverwege.’ Toen was het opeens niet zo heel belangrijk meer.

Er was het telefoontje van de Helpdesk. Dat er een klant naar de winkel zou komen die een allergische reactie had gehad op een van onze producten.
‘Holy shit…’ zei ik, waarop M en R opkeken van hun werk en naar me toekwamen.
‘Echt wel,’ zei de meneer van de Helpdesk. ‘Meneer heeft geen bon, maar we geven wel gewoon het geld terug.’
‘Tuurlijk,’ zei ik.
‘Die man heet Mark.’ Ik krabbelde Mark op een papiertje waarna de Helpdesk ophing en ik beduusd M en R vertelde wat er was gebeurd. Waarop M en R elkaar aankeken en ik bij het zien van hun gezichten besefte: euh… dit klopt niet helemaal. De Helpdesk meldt altijd namen en nummers van producten en casusnummers en weet ik het en oh, meestal mailen ze in dit soort ernstige gevallen. Ik knipperde met mijn ogen.
‘Bel anders de Helpdesk nog een keer,’ R en haar briljante ideeën. Ik belde meteen de Helpdesk terug en wat denk je? Er was geen enkele melding gemaakt van een ernstige allergische reactie. Er werkte wel een man bij hun op de afdeling, maar die sprak meer Frans en Waals dan Nederlands en: ze schakelden inderdaad wel eens klanten door en oooooh god. Meteen ging er een motortje draaien. Andere winkels moesten gewaarschuwd, de procedures nog een keer doorgesproken en het ergste: ik voelde me zo genaaid door die eikel. Omdat hij met het nummer van de Helpdesk belde en ik hem dus vertrouwde. M en R gunden me vervolgens dat als hij inderdaad naar de winkel zou komen, onze Mark, dat ik hem mocht helpen.

Vervolgens waren er, verdeeld over de dag, dertig potentiele Marken die alleen of in gezelschap de winkel binnenkwamen en meteen naar de strot gevlogen werden door mij. Oké dat gebeurde niet, maar ik was er toe in staat.

Er was een mevrouw die vers van de Douglas vandaan kwam en daar gedoucht had met alle testers die ze maar kon vinden en naar migraine stonk.

Er was de Arabische meneer die net bij de coffeeshop vandaan kwam, aardig was, zijn goddelijke tijd nam om te winkelen en iedereen in zijn omgeving knetterstoned ademde.

Er waren de twee Chinese dames die me het verschil vroegen tussen een flesje lavendelolie van 30 ml en een flesje lavendelolie van 30 ml. Waarop ik me niet in kon houden en ‘ahhhh… that’s a trick question!’ zei. En toen ze me vragend aankeken hielp ik ze met het zoeken van de 10 verschillen. Door de twee flesjes naast elkaar te zetten. En nee, ze zagen de verschillen nog steeds niet. Waarop ik wegliep.

En toen kwam ook nog mevrouw de Zwart, waarover ik een tijd geleden al schreef en die doet alsof ze voor rustgevende passiebloem komt, maar pas tevreden is als het bloed onder onze nagels afgewogen en afgerekend is. Moet gezegd, deze keer viel het mee, misschien omdat we alledrie tot ons tandvlees gewapend waren en eigenlijk op een ergere confrontatie (met Mark) wachtten, ze rekende gewoon af en onze vingertoppen waren nog heel.

En er was ook een man die M al het hemd van het lijf had gevraagd, vervolgens R het hemd van het lijf vroeg, vervolgens mij al zijn spullen liet pakken en liet voorlezen wat de houdbaarheid van alles was en vervolgens was ik nog zo stom ook om de spullen in zijn rugzak te stoppen omdat hij zelf te lam was om zijn rugzak af te doen. Ik had het te laat door. Hij was weg en M en R beklaagden zich ‘waarom doet zo iemand zo!?’
‘Omdat ‘ie een man van middelbare leeftijd is aaaaarghhhh,’ schreeuwde ik. ‘Fucking mannen van middelbare leeftijd.’ Was de winkel leeg? Nee. Er was een mevrouw van de leeftijd van R die meteen in de lach schoot, want die had zijn gedomineer ook al opgemerkt.
‘Kom, we gaan dicht,’ zei M. ‘Gaan we met z’n vieren ergens koffie drinken. Voor de gezelligheid.’ Deden we niet, maar het was heel even heel gezellig.

’Waar is Vlad,’ zuchtte R aan het eind van de dag.
‘Weet je wat ik denk?’ zei M. ‘Ik denk dat hij speciaal voor ons de winkel in kwam om ons een extra boost aan optimisme te geven, zodat we dit gedonder aankunnen.’ R en ik waren het roerig met haar eens.
‘Ze krijgen ons er niet onder,’ zei R. Maar toen om één minuut voor 6 twee Chinezen binnenkwamen die elk een tax-free aankoop wilde doen (wat in het beste geval meer dan drie minuten duurt, áls ze hun portemonnee niet helemaal onderin hun tas hebben) werden we erg op de proef gesteld.

De winkel sloot. De rust keerde weer. Ik had me zo verheugd op Mark. Ik had me er zo ontzettend op verheugd.
‘Zal ik nog even vegen?’ vroeg ik.
‘Jij mot even uitrusten,’ M keek me over haar bril aan. Ik knikte. Vanochtend heb ik M en R verteld dat ik ga stoppen met school. Niet met de hele school, maar met het vak proza. Halverwege het semester, amper een maand voor het eind. Juf gaf aan dat ik iets aan mijn verhaal moet doen (ik zal je het technische geneuzel besparen) en ik zie het niet. Ik zie al drie semesters niet wat ik niet goed doe en na drie semesters moet ik ermee dealen dat het er misschien niet in zit. Misschien nog niet, misschien nooit niet. Mijn verhalen zijn niet goed genoeg. Niet goed genoeg voor het vierde jaar en dus niet voor de literaire wereld. Mijn pech met eerdere docenten ten spijt, er is een kern van waarheid, ik voel het zelf ook. Ik ga niet over een nacht ijs, er zijn gesprekken geweest met de juf, met de decaan, met vriendinnen en eigenlijk gaf juist een klasgenoot de doorslag. We volgen samen een bijvak, schrijftraining, en reizen soms samen. Laatst, ik had de hele les zitten huilen omdat ik ‘het’ niet zag, liepen we samen naar het station en op de Dam nota bene, om kwart over tien ‘s avonds, stopte hij.
‘Gwen,’ gefrustreerd keek hij me aan ‘als we samen reizen vertel je zulke mooie verhalen, over die dooie van je en over je geliefden en over je werk en vervolgens laat je andere mensen, je personages, jouw mooie dingen beleven. Waarom beleef je die shit niet gewoon zelf? Waarom zet je anderen tussen jou en je verhaal?’

Een klap in mijn gezicht. Een verhelderende klap. Ineens begreep ik de boodschap van de juf van jeugdliteratuur een jaar geleden. Die had zich naar me toegedraaid en gezegd:
‘Jij moet dicht bij jezelf blijven.’
Vervolgens verzon ik een personage dat haar moeder uitstrooit. Vervolgens verzon ik een personage die de tsarina van Rusland mocht spelen in een amateurtoneelvoorstelling en iets teveel opging in haar rol. Vervolgens verzon ik een personage dat sex heeft met de man waar haar overleden echtgenoot g i e r e n d giftig jaloers op was. Personages. Personages personages personages. Dat verklaarde waarom ik aan ieder personage een absolute schijthekel kreeg. Dat verklaarde waarom ik niks van mijn verhalen wilde delen op deze website, omdat ik er eigenlijk niet blij mee was.
‘Je moet gewoon essay gaan doen jij, dan kan je vanuit jezelf schrijven. Eindelijk.’

De dagen daarna heb ik gejankt alsof mijn verkering uit is. Was zo van plan het vierde jaar te halen, ik wilde zo graag over, een keer een opleiding afronden. Ik heb er zo kneiterhard aan gewerkt. Maar als je niet in de goeie trein zit, dan kom je uiteindelijk op een verkeerde plek uit. De trein rolt nog, we zijn net over de helft, dus ik moet even zien waar ik de motivatie vandaan haal om van dit uitzicht te genieten, maar zodra ik uit mag stappen, stap ik uit.

‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg Vlad.
‘Goed,’ zei ik. ‘Ik ben schrijfster en jij geeft me inspiratie om een verhaaltje te schrijven over vriendelijkheid. EN ik kan mijn geluk niet op met mijn collega’s.’
‘Het meeste valt ernaast,’ zei hij.
Dat doet het zeker Vlad, dat doet het zeker.

PS.
Oh en er was ook een dove kerstman met een te hoge bloeddruk. Incognito hoor, hij zag er sjofel uit, maar hij had wel een prachtige, krullende baard en rode appelwangen en vriendelijke ogen. Ik mocht tegen hem schreeuwen en wat hij niet verstond of niet kon liplezen schreven we op.