berg

De meester in de fotografie bekeek de stapel foto’s van zijn leerling en maakte een schifting in wat wel en wat niet goed was. Twee gelijke stapeltjes bleven er over. De foto van de bergtop belandde op de stapel van foto’s die niet goed waren. De week daarop bekeek de meester in de fotografie de resterende stapel goeie foto’s opnieuw. De foto van de bergtop zat er opnieuw bij.

Dus de meester haalde de foto van de bergtop eruit en legde deze op de nieuwe stapel foto’s die niet goed waren. De week daarop gebeurde hetzelfde, de week daarop opnieuw. Toen vroeg hij zijn leerling: ‘waarom stop je die slechte foto van die bergtop er steeds terug in?’ ‘Omdat deze me het dierbaarst is.’

‘Zeg ‘es eerlijk,’ vroeg ik aan mijn klasgenoot die in Utrecht woont en met wie ik altijd terug reis, ‘is die scène op de brug mijn bergtop?’ Voor de goede orde: de scène op de brug is de allerlaatste scène van het verhaal waar ik afgelopen maanden aan gewerkt heb met bloed, zweet en tranen. Alle eerdere scènes werken daar naartoe, naar dat ene punt. Naar het gesprek dat mijn hoofdpersoon heeft op die plek. Op die brug. Hij perste zijn lippen op elkaar en krabde even in zijn nek. Niet omdat hij het niet wilde zeggen, maar omdat hij me ruimte gunde om dat enorme kwartje te horen vallen. ‘Kahhhhhhhk…’ klaagde ik. Na deze les nog twee lessen en dan moeten we inleveren en dan moet mijn verhaal staan. Punt. En met al het voorwerk dat ik gedaan heb, alle bergen die ik heb verzet, heb ik deze Everest over het hoofd gezien. Denkend dat die brug echt echt nodig was en dat is hij dus niet. Ik zakte achterover, mijn rug tegen de ruit. We zaten op het balkon, dat tussenstuk tussen twee coupés in, tegenover elkaar op klapstoeltjes. Hij had verdomme gelijk.

Zoals bijna iedere terugreis viel er ook nu weer een stilte. Waarbij mijn klasgenoot me grijnzend aankeek en ik het antwoord op al die nieuwe vragen op het plafond hoopte te vinden. Iemand had met een dikke stift iets onleesbaars op de muur gekalkt. De inkt was uitgelopen. Ik dacht aan mijn verhaal. Ik dacht aan mijn vader, die ook een rol speelt in het verhaal. Opeens knipperde de lamp. Heel even maar, maar ik schrok me de tyfus en begon zenuwachtig te lachen. Hij keek me vragend aan, ik twijfelde of ik het moest vertellen. Ik geloof soms mijn eigen ervaringen niet, maar als iemand tegen dit soort processen kan is hij het.

‘Een paar maanden na de dood van mijn vader volgde ik een workshop clownerie. In een klooster.’ Mijn klasgenoot schoot in de lach. ‘Alleen dat is al een openingszin.’ ‘Het was heftig, want tijdens de workshop maakten we al het kabaal van de wereld, maar buiten de les draaiden we mee met de nonnen en werd er dus niet gesproken. Geen woord, geen muziek, niets. Alleen een gebed. Er was een tuin bij het klooster. Met een schommel. Op een avond zat ik op die schommel, te schommelen as you do, en op een gegeven moment had ik het gevoel dat ik mijn benen niet meer hoefde te bewegen. Dat de schommel uit zichzelf op tempo bleef. Het was maar heel even. Maar dat gevoel van geduwd worden was voor mij alles wat ik nodig had.’ ‘Wat zei jouw juf jeugdliteratuur vorig semester ook alweer?’

Dicht bij mezelf blijven. Mijn hoofdpersoon gaat op zoek naar het huis waar ze de eerste vier jaar van haar leven woonde. Waar ze amper herinneringen aan heeft. In Westervoort. Daarna maakt ze een best wel flinke wandeling naar de brug, die Westervoort met Arnhem verbindt, waar vervolgens iets gebeurt. ‘Wat bevindt zich achter dat huis?’ Ik legde mijn handen op mijn gezicht. Dat ik dit niet eerder zag. Een scène die op het eerste oog niet van belang was, die zich precies bevond tussen het vinden van het ouderlijk huis en de scène op de brug, waarvan ik tot een paar uur geleden nog dacht, komend weekend sneuvelt die scène. ‘Een speeltuintje,’ zei ik. Bingo, zeiden zijn vriendelijke ogen.

Als het verhaal af is en ingeleverd, bedenk ik een manier om het met je te delen. Online plaatsen doe ik liever niet, maar we vinden een manier. Na dit verhaal, na al die maanden van cryptisch taalgebruik heb je het verdiend het te lezen. Maar laat me eerst die brug even opblazen. En wat ik eigenlijk met dit verhaal wil zeggen: zo zie je maar, ook schrijven doe je samen.

Comments

  1. Ella van der Most zegt:

    Je wilde er op dat moment niet in, lieve Gwen. Je wilde niet in het speeltuintje. Dat was duidelijk. Geen voet. Niet op de schommel. Je wilde door.
    Mooi, zo’n klasgenoot. Mooi, jouw proces. Knuf!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *