Omdat E. en ik binnenkort door Schotland gaan wandelen, nodigde ze me uit voor de wandelbeurs in Utrecht, vorige week, om alvast inspiratie op te doen. Moedig trokken we onze stappers aan, ontmoetten elkaar onder het Grote Bord in de stationshal, gingen op pad en deden vervolgens ons best niet van onze sokken geblazen te worden in het tochtgat tussen het station en de Jaarbeurs. Gelukkig was het binnen comfortabel warm.
Het ding was, er was maar één stand met Schotse wandelingen en degene die erachter zat was of moe van dagen enthousiast vertellen of was niet echt een echte Schot/liefhebber, want de moedeloosheid droop over het klaptafeltje. Geen foldertjes, geen pennen, geen tasjes, geen prijsvragen, geen mooie fotoboeken. Geen woeste verhalen, geen fonkelende ogen. De beste man stond niet eens op. We besloten een kop koffie te pakken en later terug te keren, maar na de tweede koffie en de veel te zoute patat zat de lokeend er nog steeds. Ontgoocheld struinden we verder. We verbreedden onze blik, zochten naar Britse wandeltochten, Noord-Europese wandeltochten, bleven even hangen bij een organisator van Italiaanse wandeltrips die ook wel eens wat in Schotland deed, maar toen de gastheer de toppen van zijn duim, wijsvinger en middelvinger bij elkaar stak om een punt te maken, schoven we stilletjes door naar een volgend gangpad.
‘Oh kijk, pelgrimstochten.’
Alsof ik engelen hoorde zingen. In de top 10 van dingen die mensen boven de veertig ooit nog een keer willen doen weet ik zeker dat pelgrimages hoog scoren, ik zeg zelf ook al jaren dat ik ooit nog eens ergens heen wil wandelen en hier stonden de kramen zij aan zij, de ene wandeling nog mooier dan de andere en het merendeel gewoon in eigen land en ja hoor, eentje trok me aan. Niet in het minst omdat ze een heel mooi pelgrimsdagboekje hadden met een ringband en een leren kaft en kleine voetstapjes in het leer gedrukt. Het was alleen wel een christelijke pelgrimage, namelijk de Wegen met Zegen. In gedachten zag ik mijn moeder, die op haar achttiende de kerk en alles waar het instituut voor stond, achter zich liet, kijken. Zoals ze altijd kon kijken als ik iets deed wat ze niet begreep. Ik kocht de routebeschrijving en het pelgrimsdagboekje.
We maken even een sprong in de tijd. In januari, nog in de flow van training nummer twee, deed ik mee aan een schrijfwedstrijd. Begin vorige week werd ik uitgenodigd voor de prijsuitreiking. Wat ik heel aardig vond, want ik wist al dat ik niet gewonnen had, maar ik mocht dus toch naar het feestje komen. De reden dat ik niet gewonnen had is omdat ik met een half oog de spelregels had gelezen, in het wildeweg begon te schrijven, razend enthousiast raakte, het verhaal afrondde, opstuurde en TOEN pas de regels goed bekeek. Ik had een beetje over het tijdvak heen gelezen. Het moest zich namelijk in de toekomst afspelen en mijn verhaal speelde zich, zoals bijna al mijn korte verhalen, af in het nu. Dus ik wist het al. Ik wist het al lang. Toch mocht ik komen, wat ik keileuk vond. De prijsuitreiking was gisteren. In Nijmegen. De wieltjes in mijn brein begonnen te draaien en de radertjes haakten in elkaar. Nijmegen. Waar ook de Wegen met Zegen beginnen. Laat nou de maandelijkse pelgrimsdienst op dezelfde dag plaatsvinden…
Dus! Gisterochtend toog ik in alle vroegte naar het station, als in, om 7 uur zat ik in de trein. Met in mijn rugzak goeie regenkleding, wandelwol, blaarpleisters, plastuiten, pakje pleepapier, vuilniszakjes en het pelgrimsdagboekje. Voor de zekerheid mijn zelfgesmede mes. Yoghurt met zelfgemaakte granola. Thermokleding. Oplader. Ik was goed voorbereid. De trein vertrok op tijd, ik wist hoe ik moest lopen, ik wist waar het was. In de Antonius van Padua-kerk, ik had het boekje bestudeerd, ik had mijn telefoon voldoende opgeladen, ik kon in noodgevallen Google Maps raadplegen en natuurlijk liep ik verkeerd. Was zo in gesprek met mijn moeder over waarom ik déze pelgrimage had gekozen en niet al die andere wandeltochten die Nijmegen kent en Nijmegen kent nogal wat wandelroutes. Pas toen ik op een brug over het spoor stond realiseerde ik me, ik moet helemaal niet over het spoor heen! Nergens stond dat ik over het spoor heen moest. Snel pakte ik mijn telefoon en haastte me naar de Groesbeekseweg waar ik toch nog op tijd was voor de dienst.
Het doet wat als je je eerst moet haasten omdat je diep in gesprek was met je moeder en vervolgens in de serene stilte komt van een kerk. Er waren nog drie andere vrouwen, ook pelgrims. Drie van de vier zouden meteen na de dienst beginnen, ik moest nog naar die uitreiking. Ik vertelde van het hotelletje dat ik geboekt had, ik zou de volgende dag vertrekken. Er was de meneer die de dienst leidde, ik durfde niet te vragen wat zijn functie was. In principe deed het er ook niet toe, hij had een vriendelijk hoofd, ontwapende ons door soms iets te vergeten en zong zo mooi als hij kon het pelgrimslied. Er was een fluitiste die op een houten American Flute speelde en de woorden van de meneer ondersteunde op hun weg naar mijn hart. Toen we even later in een bescheiden formatie door de kerk liepen, achter hem aan, bij wijze van de eerste stappen op ons pad, schoot ik vol. Er waren glas-in-lood-ramen met engelen die gebed, bewondering, respect, verdriet en zegening verbeeldden. We werden gezegend en mochten gaan.
Bij de Hema even later -ik had nog niet ontbeten, het was me net iets te vroeg- realiseerde ik me de zee van tijd die voor me lag. De uitreiking was om drie uur. Ik keek op mijn horloge, het was net elf uur geweest. Shit. Zin om naar een museum te gaan had ik niet, het hele ding van naar de kerk gaan, een dienst meemaken die aan mijn persoonlijke wandelbehoefte is opgedragen, die al honderden jaren aan wandelbehoefte wordt opgedragen, onderdeel zijn van zoiets groots en intiems tegelijk, ik had opeens zin om de bijbel te lezen. Om door mijn frustraties heen te breken en te ontdekken wat ik er nou echt zo vreselijk aan vind, terwijl het een boek is waar zo beetje de hele westerse beschaving op gebaseerd is. Al moet ik dan ook gelijk weer denken aan die grap van Gandhi, ken je die? NIET!? OMG. Hier komt ‘ie:
Een Amerikaanse journalist interviewt Mahatma Gandhi.
J: Mister Gandhi, what do you think about Western Civilisation?
MG: A very good idea.
Nou dat vind ik dus heel grappig, zeker in deze tijd. Er wordt door bepaalde groeperingen steeds harder met dingen uit de bijbel gesmeten, dus ik wil eigenlijk wel weten waar die gespletenheid vandaan komt. Zowel in de wereld als mezelf. Want zowel de moeder- als de vaderlijn van mijn moeders kant waren beide streng gelovig. Als in bijbelbelt-gelovig. Hel en verdoemenis-gelovig. En mijn moeder ging naar de kunstacademie eind jaren ‘60, dus dan weet je wel hoe laat het is. De nieuwsgierigheid won en bepakt en bezakt dwaalde ik boekhandel Dekker binnen en wat denk je? Alleen maar hardcover bijbels. En ik wilde er eentje met een zachte kaft, die lekker meegeeft tussen het wandelwol en de blarenpleisters. Geen bijbel. Ik moest er van grinniken, want pal achter me lagen de mainstream tarotboeken in fikse stapels op de tafels.
Toch werd mijn oog getrokken door iets. Een rood boekje met een zachte kaft van Thomas Kempis. Er zat een wikkel omheen met daarop pontificaal een recensie door Vincent van Gogh. ‘Een heerlijk boek dat veel licht geeft.’ Oké ja daar kon ik niet tegenop. Al weet ik niet of ik als redacteur zou kiezen voor een recensie van iemand die zo ernstig briljant was dat hij verf slikte, maar dit terzijde. Ik kocht de imitatie van Christus en ging terug naar de Hema om daar, gewapend met twee kleuren markers tijd te doden. Alles wat ik mooi vond kreeg een rode streep, alles waar mijn nekharen van overeind gingen staan een gele. Ik heb voor iedere zin met ‘maar’ met potlood een sterretje gezet en een pijl bij iedere verwijtende ‘als’. Vooralsnog is het vooral geel wat de klok slaat, maar ik geef het een kans.
Het was vreemd om een paar hoofdstukken later alles op te bergen, make-up op te doen en mijn haar losjes literair te couperen. Gelukkig was het somber en nat februari-weer, zoals het hoort, het is immers nog februari, en was er, dwalend door de stad genoeg om over te mijmeren. Het verhaal van de prijsuitreiking volgt nog, want dit verhaal gaat over de pelgrimage. Die niet kwam. Want vanochtend keek ik op Buienradar en toen zag ik dat er tot drie uur een ontzettende takkebui over de stad zou trekken. Dus ik dacht, slim, dan ga ik eerst naar de bioscoop (met een Cinevillepas kan je o v e r a l naar de bioscoop, het is fantastisch) en dan ga ik daarná aan de pelgrimage beginnen.
Zo gezegd zo gedaan, na Wuthering Heights (want dat is een geweldige film om te zien vlak voor je in je uppie aan een hike door de regen gaat beginnen: not) tuimelde ik de stad in, pakte op waar ik gebleven was (bij Mariken), dwaalde langs de Blauwe Hand, de Commanderie en toen bedacht ik me opeens… het is zondag. Ik ga naar Oosterhout lopen. Niet Oosterhout Brabant, maar Oosterhout Gelderland. Gaan er op zondag nog wel bussen van Oosterhout Gelderland naar station Nijmegen? Kom ik nog wel thuis als ik eenmaal in Santiago de Oosterhout aangekomen ben? Het antwoord was: nee. Klare taal.
Ik heb me omgedraaid en ben linea rectum naar huis gegaan. Einde pelgrimage. Schluss. Klaar. Over. Punt. Op de sterfdag van mijn moeder. Die van alles zou vinden van dit hele nutteloze gedoe, het gewacht, het gedraal, het gemijmer, maar oh. Ik heb zoveel lol gehad. Ik heb gehurkt, leunend tegen het hek van de Commanderie gezeten, huilend van het lachen. En nu zit ik thuis. Met tot kaboutermutsjes gevilte wandelwol tussen mijn tenen. Mijn moeder zou hier van alles van vinden en dat ik erom moet lachen zou ze helemaal onbegrijpelijk vinden. Ik schenk een borreltje in. Proost mam. Wat passend dat deze dag lekker niet volgens planning verliep. Net het echte leven.
