cijfers en letters

In de winkel kunnen mensen een klantenkaart aanmaken. Vroegâh ging dat met een pasje en de postcode, tegenwoordig gaat alles via het e-mailadres. De nieuwigheid -toen- maakt dat veel van onze klanten met hun postcode ingeschreven staan en het is voor ons een kleine moeite om hun gegevens voor ze in te voeren op het grote kassascherm. Er komen dus heel wat postcodes voorbij. Tachtig procent heeft de eerste twee letters van de stad, twintig proces komt ergens anders vandaan. Het leuke van op veel plekken gewoond hebben of überhaupt op veel plekken komen is dat ik dan ‘goh, da’s uit de route’ kan zeggen, waarna er een ander gesprekje volgt dan het doorgaans wilt-u-een-tasje-van-twintig-cent.

Niet dat er iets mis is met doorgaanse gesprekjes, sterker nog, ik vind het net zo heerlijk als er een rij staat en ik mensen zo snel mogelijk met een goed gevoel de winkel uit kan werken. Tijdens dat spel van korte verbinding wordt mijn brein geprikkeld en de postcodes of bedragen worden jaartallen en de letters van de postcodes initialen. Het gebeurt wel eens dat ik ‘ah, het geboortejaar van David Bowie’ kan zeggen of ‘EP: Elvis Presley.’ Ligt er wel een beetje aan wie ik tegenover me heb hoor. Als iemand gekleurde lenzen draagt zeg ik niks. Als iemand kauwgom kauwend meer op de telefoon kijkt dan naar mij, dan doe ik het JUIST.

Misschien komt het door mijn werk, zowel het schrijven als het winkelwerk, dat ik gevoelig ben voor cijfers en letters, misschien herken je het? Dat je dingen makkelijker onthoud op die manier. De grote Herman Finkers heeft daar zo’n heerlijk lied over. Het heet ‘slecht geheugen’ en gaat over alle woorden die je vergeten kan. Oh ga kijken het is zo’n heerlijk nummer.
Hij zingt: ‘Mijn voorletters zijn EEE BEE, nou probeer daar maar eens een ezelsbruggetje voor te vinden.’ Dan trekt hij zijn onderste oogleden wat op en krijgt hij zo’n guitig, ondeugend hoofd.

Ze, ik kon niet goed duiden waar ze vandaan kwam, was kleiner dan ik, donkerder, had een rollende R. Kan me niet herinneren wat ze kocht. Ze gaf me haar postcode, gevolgd door Cee Vee. Cee Vee. Wo. Het had geeneens tijd om me te overvallen, want meteen daarna meldde ze haar huisnummer. Wat helemaal niet hoeft, ons systeem vraagt alleen de postcode, maar mensen zijn zo gewend om postcode èn huisnummer te melden, dat ze dat bij ons ook doen.
‘Achttien,’ zei ze. Een klein toeval. De initialen van Cees, zijn voornaam en zijn achternaam. Als enige zoon in zijn gezin had hij geen tweede namen. Het was Cee Vee en meer niet -iets wat hij bij zijn eigen simpele inborst vond passen- in een adem gevolgd door het jaar van zijn overlijden. Ik ademde in door mijn neus. Vroeg of ze een tasje wilde van twintig cent, pakte haar aankopen in en stopte het bonnetje in het tasje. Ze maakte aanstalten om weg te gaan, maar vergat iets, kwam terug. Opeens trok ze een rode roos met zich mee, die had ze blijkbaar, om hem heel te houden, op het tassenplankje van kassa 2 gelegd.
‘Hier,’ zei ze opeens en met een net zo sierlijke haal, gaf ze de roos aan mij. What the hell…
‘Heb je verdiend,’ zei ze met een glimlach en liep toen, met haar gezelschap, de winkel uit. De volgende klant diende zich aan. Ergens in mijn hartstreek ging er iets ongewilds open. Ik vermande me, pakte rustig door. De dame daarna sprak geen Nederlands, ik schakelde moeiteloos naar Engels. Do you have a customercard? Ze gaf me haar postcode. DB. Ah kom op, man.

Chef zat op kantoor te roosteren. We hadden die ochtend tijdens de koffie al grapjes gemaakt over Valentijn, we hadden rode hartjes-ballonnen voorbij zien komen tussen het feestgedruis van de Lampegatse optocht en gepraat over de veramerikanisering van oude gebruiken.
‘Ben jij oké? vroeg chef.
‘Nou…’ zei ik. ‘Mag ik effe?’ Ze liet me ratelen over toevalligheden waarvan ik zo graag wil dat ze toevallig zijn. Maar dat het me zo troost als ik het hele ding van toeval eraf haal en hem daarin zie. Dat ik hem hoor bulderen, heen en weer wiebelend op die lange, sprieten van hem, shaggie rollend. Dat hoogblonde piekhaar van hem. Me voor de zoveelste keer belovend dat we niks aan Valentijn doen en dan toch iets met Valentijn doen. Want ieder jaar een rode roos. Dit zou het zevende jaar zijn zonder. Hij kijkt me grijnzend aan vanachter de fotolijst.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *