In een schimmige hoek van hartje stad, in een steeg waar de bewoners het voor elkaar hebben gekregen dat er niet gefietst mag worden, ligt mijn bios. Frans Halsema zong ooit iets over de Cineac (‘Artis weer papa en Cineac toe’ uit ‘Sandra’), maar dat is het niet, die bestaat echt en ligt ergens anders. En toch kan ik me voorstellen dat dit type theater wel was wat hij bedoelde. Het is erin geslopen bij me dat ik cineac denk als ik door de stad loop. Van Centraal station over de Kalverstraat en voor De Boekwinkel naar rechts en vlak voor de Schouwburg weer naar rechts.
Naar die gevel die meer een streep is dan een gevel, er is niets theaterigs aan zoals Carré of de Schouwburg. Geen enkele zichzelf respecterende architect heeft hier een hand in gehad. De zalen liggen ondergronds en het is een en al trap met afgetrapt pluche. De lampen, als ze aan zo’n scharnier hangen dat draait, hoor je draaien en als het flink waait deinen ze vervaarlijk heen en weer. Ik ga er twee keer in de week heen, dus ik weet inmiddels waar ik moet zitten om niet zo’n ding om mijn bakkes te krijgen als het fout gaat en het leer van de stoelen is letterlijk tot de vulling versleten.
En toch is het een prettige routine. Natuurlijk heb ik naar andere filmhuizen gekeken, maar daar draaien ze maatschappelijke documentaires en hoe belangrijk ze ook zijn, ik moet na de film ook nog naar school, dus ik moet soort van fris zijn. Gaza heeft er niets aan als ik huilend in de klas zit. Gaza heeft er iets aan dat ik scherp in de les zit en ik bij thuiskomst mijn pen en mijn naam in kan zetten voor onhandige rechtvaardigheid. Dus ga ik naar the Roses bijvoorbeeld of, zoals laatst, naar A Nice Indian Boy. Een film die het Amerikaanse er zo dik bovenop heeft liggen dat ik ze de oorlog gun waar ze nu op broeden. Als schrijver weet ik dat er trucjes zijn waarmee je je publiek kan ontroeren en die zetten ze in. Ik heb als een mak schaap tranen gelaten op precies de goeie momenten en ik heb met mijn ogen gerold bij -want blijkbaar moet dat tegenwoordig- een dansje aan het eind van de film. Fuck dansjes! Niemand danst aan het eind van een film, ja, Amerikanen willen dat er een dansje is aan het eind van de film. En vervolgens kijk je naar mensen van middelbare leeftijd die het dansen met alle liefde in hun hart aan de professionals overlaten, maar omdat het nou eenmaal in het script staat: doen ze wat ze moeten doen. Dan komt het dus niet uit de waarachtigheid van hun personage, maar omdat iemand aan een bureau dat op papier heeft gezet. En dan zie je de ongemakkelijke acteur dwars door het personage heen schijnen. Het ding is, ik ben niet de enige die rond deze tijd altijd naar de film gaat.
Waar ik in de Verkadefabriek nog wel eens toute seule in de banken zit, zit ik in Mokum natuurlijk altijd temidden volk. Amsterdams volk. waarvan 80% gepensioneerd is en vrouw, want die hebben natuurlijk een heel stuk cultuur gemist en dankzij de tijd die ze nu hebben, hebben ze de ruimte dat in te halen. Ik vermoed dat hetzelfde percentage dezelfde pas heeft als ik. En als het voelt dat je gratis naar de film kan ga je vaker, word je kritischer en sommige vrouwen kunnen kritisch en zuur niet uit elkaar houden. Ik vermaak me kostelijk als mijn Amsterdamse posse de zaal binnenkomt, bel wijn in de handen, jas over de arm, stommelend de trap af, mopperend over de sleetse stoelen, de hoogteverschillen, over ALLES hebben ze iets te zeggen. Ze gaan ook nooit op de plek zitten die ze gereserveerd hebben, ze gaan altijd toch ergens anders zitten. En ze zijn ook altijd vol van smoezen als de rechtmatige tijdelijke eigenaar van de stoel alsnog op komt dagen. Dan moet er opeens geschoven worden. En als er iemand langs moet, blijven ze ook gewoon zitten. Ze trekken hun benen in en denken dat dat genoeg is. Nou in mijn cineac niet hoor. En als uiteindelijk de lampen weer aangaan, klinkt er altijd eerst een afkeurend ‘nou…’
Zo buffel ik me twee keer per week door de middag en ik vind het schitterend. Zo zag ik the Roses één keer, zo zag ik la venue de l‘avenir twee keer en Nice Indian Boy ook één keer. U leest het goed, la venue twee. En weet je, ik ga hem nog een keer of twee of drie kijken. Wat een zalige film. Wat een sprookje van een verhaal.
‘Nou, da’s niet echt gebeurd hoor,’ no shit Toos. De truc is juist dat je naar iets fictiefs kijkt en het niet stoort dat het niet echt gebeurd is. Bovendien, we weten niet 100% dat het niet echt gebeurd is. Of het wel of niet echt gebeurd is doet er niet eens toe. Het is een zalige film over familiebanden, maar eigenlijk over vriendschap. Het verhaal heeft een paar losse eindjes qua personages, maar de wisselingen tussen onze eeuw en die van de 19de is zo liefdevol gedaan, zo respectvol, hier heeft een team aan gewerkt waarvan alle lagen zich betrokken voelde bij de productie. Geen perfecte make-up, maar koppen met karakter, flanerend tussen bordelen en kantoren. Och het is een delicatesse van een film. Hoe meer ik erover schrijf hoe liever ik het vind.
Maar… er gaat dus tegelijk met mij een meneer op leeftijd naar de film. Hij komt binnen als ik al zit en vertrekt als eerste en hij zit altijd rechtsachter mij. Hij is er niet altijd, bij The Roses was hij er niet en bij de eerste La Venue ook niet, maar heb hem nu al twee keer rechtsachter me gehad. En die man gen i e t van film. Zelfs bij A Nice Indian Boy grinnikte hij smakelijk op precies de goeie momenten, niet luid, heel beschaafd, maar wel vanuit zijn buik. Zoals mannen vanuit hun buik kunnen lachen als ze iets echt leuk vinden. Ik kan daar zo van genieten, van dat geluid. Hetzelfde als de stilte tussen het loslaten van de pees en het landen van de pijl in het doel, ik hou van dat soort geluiden. De eerste klanken van Shine on You Crazy Diamond. Van die geluiden waarvan je ‘ohhhh daar is het weer’ denkt als je ze hoort. En deze man maakt ook zo’n geluid. En ik VOEL dan hoe de zuren in ons gezelschap door hun neus uitademen, niet wetend wat te doen met zulk plezier. De spanning bouwt zich op, er is weer een MAN die zich niet in kan houden. Soms zie ik een Toos omdraaien in haar stoel, om te zien waar dat plezier vandaan komt zodat ze haar venijn kan richten. Maar ik sta het niet toe, vanaf dat moment doe ik mee en ik sta aan zijn kant natuurlijk. Hij lacht op precies de goeie momenten en die zijn altijd strak geregisseerd, dus ik weet wanneer ze komen en ik lach mee. Het augurkenlegioen krijgt ons er niet onder. Soms hoor ik hem verzitten van pret, dan piept en kraakt het leer van zijn stoel. Onze kogels zijn onzichtbare confetti en we winnen. Als hij er is maken Amerikaanse dansjes niet uit. Ik verlaat hoe dan ook grijnzend de ruimte.
De weg naar de cineac en daarna de weg naar school bewandel ik al zonder Google Maps. Eerst was het nog een hele zoektocht over bruggen en grachten en terwijl ik dit schrijf, zie ik ook de paralel met mijn schrijfproces. Hoe ik stukliep afgelopen semesters, mezelf verkocht. De twijfel is er nog steeds, of ik wel het goeie vak gekozen heb, of ik niet te dom ben voor de literaire wereld aangezien ik niet universitair geschoold ben. Niet dat ik niet kan schrijven, maar ik ben niet zo belezen als de rest en dat knaagt stevig aan mijn moed om aan te klooien. Toch buffel ik door. Nog drie maanden, dan zit het laatste semester van het derde jaar erop. Als ik dit semester niet haal, stopt proza voor mij. Niet dat school dan stopt, maar wel dit vak. Dat is iets waar ik doorheen adem. Keer op keer.
In de ondergrondse gang van mijn cineac, mijn smalle gangetjes keldercomplex, mijn pluche met ogen vloerbedekking, hangt ergens tussen zaal 3 en zaal 4 een lamp. Felrood licht komt er vanaf. ‘Frankly my dear…’ zegt ‘ie. Ik denk dat dat mijn motto is de komende reis. In de hoop dat in die ontspannenheid van not giving a damn het ding dat nu ligt te broeien tot wasdom komt. Vertrouwen op die man die ergens achter me in de lach schiet op precies de goeie momenten. Snel weer naar la venue de l’ avenir. Van harte aanbevolen.
Vijf sterren.
