winkelperikel (9)

En toen hield hij zijn hand ook nog eens zo, zodat ik niet anders kon dan highfiven. Daarna was ik klaar.

De afgelopen anderhalve maand stond vooral in het teken van school. Want voor de derde keer het tweede semester moeten doen, betekent dat als het verhaal waar ik nu aan werk in december niet goed genoeg is, de bijl valt. En daar heb ik aan de ene kant geen zin in, want toch een beetje jammer, aan de andere kant ben ik inmiddels zo murw dat ik niet meer weet hoe ik zelf schrijf en maar gewoon alles eruit kots dat ik in me heb. Wat blijkbaar werkt, want voor de herfstvakantie zei juf dat ze zich sterk ging maken voor ‘expansie van het eindwerk.’ Dit betekent: in principe is 10.000 de max, maar in bijzondere gevallen mag een student daar overheen en juf vindt dat ik daar overheen moest. Of ik het daarmee eens ben is een tweede, want ik heb na drie semesters zo’n hyperfocus op die 10.000, dat ik eerst een paar dagen als een konijn in koplampen voor me uit heb zitten staren. Hoezo zit er een groter verhaal in mijn verhaal? Hoezo is dit iets groters?

Inmiddels is het kwartje gevallen en vorige week, ik had er een dagje voor uitgetrokken, heb ik een thermos thee, een karaf met water en vooral veel snacks en chips in huis gehaald en ben ik gaan zitten. Want zitten is het allerbeste advies dat ik ooit gehad heb. Loop je vast met schrijven? Blijven zitten. Heb je geen inspiratie? Blijven zitten. En dus had ik mezelf zo dichtgetimmerd dat ik alleen op hoefde te staan om naar de plee te gaan. En daar ging ik. Met als startpunt 5.600 woorden en als doel één extra hoofdstuk toe te voegen aan de drie die ik er al had. Ik wist gelukkig waar het hoofdstuk over ging, dus het was een kwestie van iets uitgebreider opschrijven van de korte samenvatting die er al was. Mijn hoofdpersoon reageerde moeiteloos op de instructies die ze kreeg, ze ontdekte of autorijden wel iets voor haar was of juist niet, haar geheime minnaar ging van het dragen van een baard naar een gladgeschoren kin en die twee sigaretten die gerookt worden, verschoven van Lucky Strike naar Camel. Aan het eind van de dag had ze een pleister op haar hand van hemelsleutel en ik had de 10.000 bereikt. Anderhalve maand voor de uiterste inleverdatum. Het verhaal heeft nu officieel een kop, romp en een kont en ik heb the official First Draft geprint en die ligt nu naast me vol met allerlei aantekeningen.

Vanochtend mochten B. en ik onze collega A. feliciteren met het Medewerker van de Maand-schap. DIK verdiend. Ik had koffie gehaald bij het dure, maar oh zo lekkere koffietentje om de hoek. Waar ze altijd met de benen buiten staan, nee letterlijk, er stond een rij buiten. En ik stond daar, met mijn groene schortje en kartonnetje waar de bekers zo mooi in passen. Een jongeman kwam naar buiten en vroeg aan de mensen voor me in de rij met hoeveel ze waren. Ondertussen gleden zijn ogen over mijn schort. ‘Kom maar,’ zei hij. Ik liep achter hem aan naar binnen. ‘Het duurt waarschijnlijk wel tien of vijftien minuten voor ze klaar zijn, is dat oké voor je?’ ‘Ja hoor.’ Zei ik ‘goeie dingen mogen tijd kosten.’ Ik bestelde en bedacht ondertussen een liedje dat ik voor mijn hardwerkende collega kon zingen. Iets in de trant van ‘hard zal ze werken’ ipv lang zal ze leven, maar voor ik ook maar tot iets zinnigs gekomen was, kreeg ik een knipoog en een treetje met drie bekers zwart goud in handen gedrukt. Ze hadden me er even doorheen gedrukt, de schatten.

Vervolgens schoot A genadeloos vol van hoe we het certificaat MvdM overhandigden, waarop B ook volschoot, waarop ik een groepshug afdwong en ze vervolgens naar onze riante kantine stuurde om daar even op adem te komen. En ja het was een drukke koopzondag, dus er stond een handjevol Chinezen met 300,- aan visolie schaapachtig aan de kassa te wachten tot we uitgesnikt waren. Fantastisch. Ze deden het ermee.

En toen kwam hij binnen. Lang, opgeschoten gastje, ergens in de twintig, petje te hoog op zijn kop, gouden tandje, een broek waarvan ik altijd de neiging krijg om hem of op te trekken, of juist nog verder naar beneden. Ogen flitste alle kanten. Hij klopte op zijn buik, ‘ik heb paniekaanvallen man. Heb je iets sterks?’ Ik liep met hem mee naar de afdeling Rust, we raakten aan de praat en ergens tijdens dat gesprek besefte ik me dat het hem ging om serieus genomen worden en hij realiseerde dat ik hem serieus nam. Klik. Hij vertelde, ik vroeg door. Complimenteerde hem dat hij van de Red Bulls af kon blijven. Ik vertelde van de Bach-druppels. ‘Broer, die had ik als kind ook man.’ En dat ‘broer’ vond ik zo’n fantastisch compliment! Want dat zeggen die gastjes tegen hun matties, weet je? En ik was gewoon zijn mattie op dat moment. Hij vertelde nog van alles, vroeg nog naar andere dingen, maar rekende uiteindelijk toch de Bach af. En ik kreeg dus een high-five en de belofte dat ‘ie nog een keer langs zou komen. Mijn mattie met zijn gouden tandje. Nou en toen kon ik naar huis, mijn buit was binnen. Beter kon niet. Nou is dat niet hoe winkels werken, maar de rest van de dag verliep net zo leuk en net zo soepel.

In de trein terug werd ik overvallen door opluchting. Alsof de 10.000 indaalden. Ik heb het doel bereikt, heb nog anderhalve maand om nieuwe hoofdstukken te schrijven en dingen te schrappen, personages tot bloei te laten komen, ik loop op schema. En dus kan ik nu aan iets luchtigs werken. Mijn mattie was een mooie aanleiding.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *