lopen

Het is niet een heel lang stuk, tussen de parkeerplaats aan het water en mijn voordeur. Drie lijsterbessen en vier eengezinswoningen, drie lantaarnpalen. Toch was er tussen punt A en punt B het besef dat alles wat ik van plan was voor vandaag in de put was verdwenen. Oh er zijn ook twee afvoerputten. Niet dat daar mijn sleutels in verdwenen, maar waar ze dan wel waren had ik die eerste paar seconden (seconden waarin achter mij de lesauto optrok en wegreed) niet door. Het was halverwege dat stuk.

Tegen de tijd dat ik bij mijn voordeur aangekomen was, was mijn schoudertasje leeg en zaten ze ook niet in mijn broekzak. Ook niet na tien keer checken. Ik keek door mijn raam naar binnen. Het licht van de ochtend was nog aan, ik zou immers binnen anderhalf uur weer terug zijn. Op de bank lag mijn mobiele telefoon.

Onderweg naar de stad bedacht ik een plan. Doorspekt van dankbaarheid dat ik mijn wandelschoenen aan had getrokken en een lekkere dikke trui en dat ik mijn portemonnee met daarin bankpasje bij me had. Maar ook: doorspekt van zelfkastijding, want zeven jaar ging het goed: ik liet mijn sleutels niet meer overal liggen. Alsof in een relatie zitten zoveel ruimte inneemt in mijn hoofd dat ik dagelijkse, maar cruciale dingen (zoals waar mijn sleutels zijn) vergeet. Zeven jaar ging het goed. Man weg, sleutels terug. Vandaag: allebei weg. Maar van de sleutels wist ik tenminste waar ze waren: op de achterbank van de lesauto.

Stap 1 sleutels vinden. Nee, eerst een plek vinden waar ik gebruik mag maken van hun apparaat met internet (want wat is het nummer van de rijschool?) en waar ik gebruik mag maken van hun telefoon (want rijschool moet mij weer bellen zodra ze mijn instructeur te pakken hebben gekregen) en waar ik me veilig genoeg voel om emotioneel in te storten. Dus naar het Bossche filiaal van mijn werkgever, recht zo die gaat. Maar ja, ik weet van mijn team dat we in dit soort gevallen juist blij zijn om te helpen, maar ik kan me ook voorstellen dat, als je een meisje van ergens in de twintig bent en er komt een verwaaide vrouw binnen met een heel vreemd en ongemakkelijk verhaal, dat je er niet op zit te wachten dat mens een hele tijd in je winkel te hebben, ook al is het een collega van een ander filiaal. Godzijdank had de rijschool haar antwoordapparaat aan staan. Ik zei dat ik even een ommetje zou maken en later terug zou komen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het even slikken was om positief te blijven.

Er was nog een optie. Richting het station bevindt zich de Erica. Daar heb ik ook nog gewerkt, ergens in 2018. Ik werkte er toen Cees ziek werd en overleed. De dag dat hij werd opgenomen moest ik werken, de bedrijfsleider was not amused. In december, vlak voor kerst, kreeg ik via mail te horen dat mijn contract niet verlengd werd en dat hij me een prettige kerst wenste. Ik heb de arme man een brief geschreven. Maar de collega’s waren wel heel oké. Mensen met een hart. Die ook na al die jaren fronsen als we het over die tijd hebben. Ik waai er graag naar binnen. ‘HOLY SHIT,’ declameerde ze bij het aanhoren van mijn situatie. ‘Daar is de pc, daar is de telefoon. Wil je thee?’

In een paar klikken vond ik de website van de rijschool, met daarop het nummer van mijn instructeur. Hij is een goeie, dus hij nam niet op. Want tijdens de les is hij volledig bij zijn leerling. Ik sprak in. Mijn gastvrouw schoof een krukje naar voren en liet me een theetje kiezen uit de theedoos. Ik koos Bedtime van Yogi, in de hoop mijn brein een beetje te kalmeren. Niet veel later ging de telefoon van de winkel. Het was mijn instructeur. Dat hij pas rond 4 uur weer in Den Bosch zou zijn en dan de sleutels langs zou brengen bij mij thuis. Het was 12 uur. ‘Maak je geen zorgen, als je er dan niet bent, doe ik ze wel in de brievenbus.’ Hij vond het in een hele leuke grap en ik, nu ik het schrijf ook. Maar op het moment van spreken dacht ik opgelucht, hoe krijg ik mijn emoties onder controle?

De vier uur begonnen. Ze gaf me een ferme knuffel en een kus op mijn wang. ‘En als je stuk gaat kom je maar hierheen.’ En ik dacht, ik ga nu al stuk, maar ik heb geen zin om te breken, ik moet nog 4 uur. Dus lopen. Lopen redt me al twee maanden, dus daar kan deze dag ook nog wel bij. Over de Markt, alle straatjes. Ik kocht een schriftje bij de Hema en een goedkope pen, ik heb er geluncht. Langs de zweefwinkel ging ik, waar het vrije inloop was bij een mevrouw die reiki-sessies gaf: ik heb er eentje ondergaan, ik had toch alle tijd van de wereld. Ik heb gewandeld, ik ben me heel erg bewust geweest van hoe ik eruit zag: want het is prettig autorijden in een joggingbroek en dus droeg ik een joggingbroek, maar met iets te korte pijpen, dus bloot vel piepte onder mijn donkerblauw vandaan. Gelukkig ben ik tegenwoordig een zonnebankganger, dus ik was niet helemaal een omgekeerde zebra.

Weet je wat ik het meest miste? Het delen. Het, oh dit is leuk voor een verhaal straks. Ik kon nergens foto’s van maken. En de stad was prachtig grauw vol rond dwarrelende paraplu’s. Vrouwen met plastic kapjes op, mensen die heel vies keken omdat ze door de regen moesten. De bellen in het water. Ik had overal foto’s van willen maken en jou die laten zien, maar dat ging niet. Ook de mevrouw in de zweefwinkel, die me ook een orakelkaart liet trekken na de reiki-sessie, zei: ‘je mag er wel een foto van maken,’ waarna we in de lach schoten. ‘Oh nu moet je het zelf onthouden,’ waarna ik keek alsof ik mijn hersens aan het flexen was. Ik miste het delen. Ik miste het delen heel erg.

Daarna ging ik naar de bieb. Er dook wat inspiratie op voor het verhaal van dit semester dat als werktitel ‘Joyce’ heeft. Iedereen zat er te lezen, ik zat te schrijven. En toen was het half 3 en toen was het half 4 en toen liep ik naar huis. Niet wetend of die 4 uur haalbaar was voor mijn instructeur. Misschien was er in de tussentijd iets tussen gekomen. Dat zou ik niet weten. Hij zou me niet kunnen bereiken. Op goed geluk dan maar. Ondertussen brak de zon door. Niet heel erg, maar net genoeg om prachtig licht te werpen op de bomen langs het water. Er was slechter wachtweer. Mijn overbuurman liep voorbij met zijn hond. Ik vertelde hem van mijn situatie, ik mocht op zijn bankje zitten. Zijn bankje voor het huis, met goed zicht op de parkeerplaats. Iets over 4 reed de lesauto voor. Diverse manieren waarop mijn instructeur zou kunnen reageren passeerden de revue vanaf het moment dat ik wist dat hij om 4 uur bij mij zou zijn. Waarvan het zuchten van Cees -als ik weer eens mijn sleutels kwijt was- zich verplaatste naar de lesauto. Daar zag ik misschien wel het ergst tegenop. Tegen de terechte, maar pijnlijke grap. Het rollen van de ogen, het ‘niet weer.’ Het raampje ging open. Zijn hand stak eruit, met bungelend aan zijn vingers, mijn bosje. Mijn sleutels, mijn pelgrimsschelpje. ‘Ben jij oké?’ Vroeg hij bezorgd. Ik knikte. Stak mijn duim op. De lesauto trok op en reed weg.

Ik opende de deur. Ging e e e e e e r s t naar de plee. En besloot toen in fotovorm het verhaal weer te geven. Bij gebrek aan beeld. En toen ik dat gedaan had, heb ik op de bank liggen huilen van het lachen. Een mens kan niet zonder mensen. Wel zonder telefoon.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *