‘Oké, da’s heel kut allemaal, maar wat kan je wel? En het belangrijkste, gaat het over, heeft het vooruitzicht?’ Mannen en doortastendheid.
‘Ik kan staan. En lopen en fietsen kan ik ook.’
‘Mooi, dan kan je met de trein.’
‘Zitten is pijnlijk, dat gaat niet lang.’
‘Maar je hebt pijnstillers.’ Ik zag hem in gedachten zijn lijstje afvinken, ik irriteerde me. ‘Volgens mij moet jij er gewoon even uit. Ergens koffie drinken. En dan gaan we gelijk die tweede pijler van Gwennepen vastleggen.’ Tweede pijler? Oh ja, lang geleden een keer over gehad, maar overzag het toen niet echt, te druk met school en school en school en och dat komt nog wel een keer. We prikten een datum, ik bedoel, hij prikte een datum, ik kon en calculeerde in wanneer ik op mijn best was. ‘En als het niet gaat, dan leggen we mijn achterbank plat en dan schuif ik je als een plank onder de laadklep.’
Geen statafels. Bij binnenkomst zag ik het gelijk. Shit. Dat werd mezelf in een stoeltje wurmen en, eenmaal geplooid, een uitdaging om er ook weer uit te komen. ‘We hebben alle tijd,’ zei hij terwijl hij om zich heen keek voor een mooie lichtval. ‘Hiero,’. Hij plantte zijn rugzak en begon instrumentarium uit te laden. Terwijl ik mezelf stukje bij beetje langs het tafeltje naar het zitvlak takelde.
‘Kan ik alvast iets voor u inschenken?’ vroeg de aardige ober.
‘Twee cappuccino en mevrouw wil graag appeltaart,’ wacht, nu klinkt hij als een eikel, maar ik had in de aanloop naar de afspraak al om appeltaart geschreeuwd. Op het moment van bestellen verbeet ik me van de pijn, dus hij nam het even over. Heerlijk. Ik knikte zuur, vanaf nu was het een kwestie van langzaam in deze vorm zakken en hopen dat de pijnstiller zijn werk zou doen. Terwijl hij zijn camera richtte en op het knopje drukte.
‘Moet dat nou echt nu al?’ kreunde ik. Hij grijnsde.
De koffie en de taart werden geserveerd, we namen een paar slokken/happen toen hij zijn stoel achteruit schoof, zich nestelde in het uitzicht en zei:
‘Vertel. Wat is dat nou eigenlijk, dat tarot? Ik ben een leek, dus kom maar op.’ Ik pakte een pak kaarten, haalde de kunstwerkjes eruit en begon. De geschiedenis, de indeling, de elementen, de plaatjes. De betekenissen, de verbinding met elkaar en uiteindelijk de verbinding van de kaarten met degene die ze trekt. En de verbinding van degene die de kaarten trekt met wat er ook op dat moment speelt in het leven. Dat voor mij de kaarten enerzijds simpele stukjes karton zijn met pareltjes van kunstwerken erop, anderzijds, in hun samenstelling, een goede vriend is die eerlijk durft te zijn. Hoe vaak ik niet ‘jahaaaa, verdomme’ zeg als ik een kaart omdraai, zeker de laatste tijd willen ze nog wel eens op zere plekken duwen. Aan de andere kant, niet kunnen zitten, niet kunnen bukken, dingen niet lang vast kunnen houden, boeken zijn op dit moment geen pretje. Je buigt je hoofd toch iets naar voren als je leest en dat trek ik op dit moment niet. Maar een kaart… klik klik klik, zei de camera.
‘Het is gewoon,’ ik zocht woorden ‘ze zijn al zolang bij me en ze nodigen uit tot zoveel leuke gesprekken. Met mezelf, maar ook met anderen. Jaren geleden zat ik ergens te werken en toen kwam er een gezin mijn waarzegster-tentje binnen. Vader, moeder, twee dochters. De vader ging zitten, moeder en kinderen schaarden zich achter hem. Hij koos kaarten en ik begon te interpreteren en bij alles wat ik zei keek hij verbaasd of schudde soms zelfs nee. Maar zijn vrouw en dochters achter hem knikten overduidelijk ja, het was hilarisch! Het werd een prachtig gesprek over hoe liefdevol en aanwezig hij wèl was, in hun ogen. Hoe creatief hij wel was, want kijk nou naar het laminaat in de gang bij dat gekke stukje bij de trap. Zij hadden daar vol verbazing naar gekeken, naar hoe hij dat voor elkaar had gekregen. Klik klik klik.
‘Als jij over schrijven praat of over boogschieten, dan trek je hetzelfde hoofd.’ Hij draaide zijn camera om en liet iets zien. Oh ja, dacht ik. ‘Dit is een van jouw liefdes. En liefdes, zeker als ze nog zoveel brengen, moet je niet wegdoen.’ ‘Ja maar er zijn al zoveel goeie waarzegsters.’ ‘Ja, dat is. Ik ben natuurlijk even gaan Googlen. Maar ik heb er nog geen gevonden die in haar spijkerbroek, tussen de taartkruimels kaarten legt. En die het nog zacht weet in te pakken ook, dus volgens mij moet je stoppen met smoezen maken.’ Jongûh.
Een tijd later, terwijl hij zijn arsenaal weer inpakte, hees ik mezelf omhoog. Het ging. Heerlijk om er even uit te zijn, in goed gezelschap. Met twee vrienden.
‘Beloof me dat deze serie op de website belandt.’
‘Beloofd.’

Appeltaart, kaarten, das onze mix