Terwijl ik de trap afliep naar het magazijn, stapje voor stapje natuurlijk, bedacht ik wat ik zou schrijven. Later. Bij thuiskomst. Als alles ging zoals het ging. Eerder had de fysio, die ik deze dagen om de dag zie, al gezegd:
‘Misschien moet je iets meenemen waar je blij van word. Dat leggen we dan onder de hoofdsteun en dan kan je daarnaar kijken als ik je…’ vervolgens balde ze haar vuist en keek stoer.
‘Hell yeah,’ gruntte ik stoer terug, maar god wat was ik blij dat ik twee dagen later het kaartje van mijn collega’s mee had genomen.
Het is een goed teken, dat ik weer in dat soort termen denk. Dat ik het verhaal weer in dingen zie en de behoefte krijg om te schrijven. Dat was even weg, namelijk. Dat een mensch mentale fases kent waarin hij niet kan schrijven wist ik, dat dat fysiek ook het geval kan zijn wist ik ook, maar om de een of andere reden had ik in mijn hoofd dat dat bij mij anders zou zijn. Want: schrijven kan altijd. Nou. Daar ben ik dus op teruggekomen: soms kan schrijven niet. En dat is dan wat het is, het schrijfproces moet je nooit forceren. Maar toen mijn fysio fronste bij het aanhouden van mijn klachten moest ik slikken. Wat als dit het is? Wat als de pijn vanaf nu bij me hoort? Mijn studeerkamertje is best een puinhoop. Dan moet ik vrienden vragen de boel leeg te halen en ik moet iets van een lessenaar of een spreekgestoelte op de kop zien te tikken. Want zitten gaat dan niet meer. Ik begon me zorgen te maken over school, zou ik die ene leerling zijn die de hele les in een hoekje staat? Hebben ze een spreekgestoelte op school die ik mag lenen? Wat als de pijn zo erg blijft dat het sommige dingen niet meer kunnen.
‘Er bestaat nog één mogelijkheid… maar dat is niet de meest pijnloze, zeg maar.’ ‘Bring it bitch.’
De keer daarop nam ik de kaart mee die mijn collega’s me stuurden. Iemand had er een konijnachtige, langorige hond op getekend met een zere kont. Want natuurlijk was dat een dingetje in de groepsapp: Gwen kan niet komen werken, want er is iets stuk in haar kont. Niet in het darmgestel of in de botten, niet in de spieren of in de zenuwen.
‘Gwen heeft een kort kontje.’ (Kort lontje.)
‘Beter een goede aars dan een verre vriend.’
‘Beter één aars in de hand dan tien in de lucht.’
‘Door het oog van de aars kruipen.’
‘Als je jarig bent mag je aarsjes op je taart uitblazen.’ En mijn favoriet:
‘Beterschap Gwen, gelukkig ga jij niet als een nachtkaars uit, maar’ waarop ik mijn detox-thee door mijn neus uitblies: nachtaars. De fysio zette een klophamer op mijn linker bilpartij en drukte op aan.
Hun namen. De pentekening van die hond. Konijnachtige hond. Met stralende poeperd en lange oren. Dat ik maar weer snel met mijn kont naar de winkel moest komen, maar: alleen om thee te drinken. De fysio had de kaart tussen de poten van de martelbank gelegd. Door het gat in de hoofdsteun kon ik ernaar kijken. Dat ik het rustig aan moest doen. Druppeltjes spuug belandden op het dunne karton.
‘Als het niet meer gaat zeg je het hè?’ ‘Hmmmpffssppplll.’
(Met slecht Frans accent zoals in Spongebob: Twee weken later.) Vandaag mocht ik twee uurtjes naar de winkel komen om te werken. Niet bukken, niet tillen, alleen maar een beetje kletsen, beetje spiegelen. Beetje rommelen. Dus ik kletste, spiegelde en rommelde. De zakjes Mariadistel waren op, dus ik liep, stapje voor stapje, me stevig vasthoudend aan de reling, naar beneden. De ashwaganda-thee van Yogi Tea waren ook op en…
‘Waar ben jij?’ Verschrikt keek ik op. Collega B was me gevolgd. Ze stond bovenaan de trap.
‘Hiero,’ riep ik ‘de Mariadistel is op, dus ik dacht…’ Ze kwam de trap af.
‘Het is niet zwaar ik… oh boy.’ Haar gezicht stond of op onweer of op ijstijd, ik wist het even niet. Het enige wat ik voelde was de behoefte in de houding te schieten. Voorzichtig schoof ik het doosje thee terug in de kast. ‘De eh, Maria. Was op.’ Met één vinger gebaarde ze dat ik het doosje in moest leveren. Betrapt pakte ik het doosje en gaf het aan haar. Met mijn staart tussen mijn vier gelijke poten liep ik terug de trap op. Stap voor stap, me stevig vasthoudend aan de reling. Op de voet gevolgd door B.
Boven schoot ik zo ongelooflijk hard in de lach, ik h i e l d het niet meer. Van de zenuwen en van ontroering. Als mijn team iets afspreekt, zeker als het het welzijn van collega’s betreft, dan pakken we door. Ik mocht een paar uur komen laterfanteren. Spiegelen. Klanten helpen. Kassaatje draaien. Omdat onder de mensen zijn, omdat onder deze mensen zijn zo leuk is. Omdat ik het op de grond liggen zo zat ben, het uren ijsberen door huis of door de stad. Omdat ik me zo opgelaten voel als ik in een bijna lege bus of trein moet staan, omdat zitten niet gaat en dus maar nergens heenga als het alleen per bus bereikbaar is. In de trein kan je nog van coupé naar coupé, van wagon naar wagon lopen en doen alsof je iemand zoekt. Omdat ik me opgelaten voel omdat ik gisteren dacht, ik neem een haarmaskertje, maar ik kan mijn rug helemaal niet buigen, dus ik kon het ook niet goed uitspoelen en nu is mijn haar zwaar en aan de vette kant, dus mijn normaal zo warrige vogelnest is een ingezakte, harige pudding. Bij vlagen voel ik me ontzettend zielig. Vervolgens trakteerde collega R op koffie omdat het toch een beetje een feestdag was.
Op de terugweg, met de trein, een rit van iets meer dan twintig minuten, probeerde ik te zitten en het lukte. Niet van harte, maar ik zat niet binnen een minuut tegen het plafond van de pijn en het lukt me dit stukje te schrijven. Het was een mooie dag met mooie ontmoetingen.
‘Tot snel?’
‘Yes please.’
’Maar we gaan wel een enkelbandje voor je bestellen, zodat B altijd weet waar je bent.’

Daar word je gaars van hè