Het voordeel van een keer in het weekend vrij zijn, in plaats van altijd maar werken, is dat je als verkoopster een keer aan de andere kant van de toonbank kan kijken, voorbij de achterkant van de etalage, in de wondere wereld van shoppers en dagjesmensen. Mijn rug is behoorlijk fucked, maar de chiropractor doet goed werk en ik ben natuurlijk kritisch naar mijn werkomgeving gaan kijken. Niet die in de winkel, die is prima, daar klinkt regelmatig een ‘EUJ’ als de ene collega de andere verkeerd ziet bukken.
Maar er is nog een werkplek. Namelijk die aan mijn eigen bureau. En dat was ik even vergeten, dat die inmiddels ook een werkplek is. Ik heb er namelijk nog steeds een beetje moeite mee om schrijven ‘werk’ te noemen, maar als ik wil dat volk mijn werk serieus neemt, is het misschien een idee als ik daar zelf het goede voorbeeld in geef. De laptop moest op ooghoogte en er moest een Nijntje-toetsenbord komen, vanochtend vertrok ik met goede moed richting hartje stad.
De stad was prachtig zoals altijd, er is geen seizoen dat ik haar niet prachtig vind en dan te bedenken dat ik er even overwogen heb naar Eindhoven te verhuizen oeioei, wat goed dat ik dat niet gedaan heb. De mensen die er wonen zijn de liefsten die er maar zijn, maar over een pad van vlonders lopen, begroet worden door ganzen en gestreeld te worden door uit de kluiten gegroeide kamperfoelie… de geur van goeie koffie in de Hinthamerstraat, de gedichten op de gevels en de Sint Jan, rustig en verwelkomend. De Markt met kraampjes, de geur van vette vis en stroopwafels. Een meneer met een gitaar die Your Song van Elton John speelt. Een mevrouw in een iets te kleine BH die zich discreet opstelt achter een kraam om een fleurig, roze Ibiza-achtig blousje te passen en niet doorheeft dat er achter die kraam mensen lopen. Een meneer in een scootmobiel die zich met een behoorlijke vaart tussen het winkelende publiek begeeft dat de BH-maat van die mevrouw nog aan het verwerken is. Jongetjes op fatbikes die nog net uit kunnen wijken voor de meneer in de scootmobiel. Op het plein voor de Hema is het niet helemaal duidelijk hoe de loop is, mensen besluiten er stil te staan, mensen besluiten er door te lopen, sommige mensen snel, sommige mensen langzaam. Er fietsen mensen. In de Hema zijn de zelfscankassa’s een wonder van vooruitgang, tenzij je tot the lucky few hoort die controle krijgen en je alsnog moet wachten tot iemand van het personeel ziet dat ze jouw spul moeten controleren. Gelukkig betrof mij dit niet, maar een oudere dame met wie ik oogcontact kreeg (want in mijn eigen winkel zie ik ook altijd iedereen) waarna ik licht verlangend keek hoe de verkoopster met jeugdige onschuld naar de gordijnen staarde. Ah de zalige fase van gewoon weg mogen dromen als het je eigen toko niet is, als het ook in de verste verte niet voelt als je eigen toko. ‘EUJ’ riep ik, waarna ik naar de mevrouw wees.
Buiten slingerde de dagjesmensen en de toeristen en de gezinnen en het shoppende volk en de Bosschenaren zich langs rijen fietsen, rijen mensen die in de rij stonden voor de worstenbroodjeskraam, uitgedaagd door fatbikes en kinderwagens, rokende mensen en daar, vlakbij die boom, gebeurde het. Iemand wees iemand de weg of gaf aan waar ze heen wilde, het maakte niet uit, hoe dan ook, ze wees. Met gestrekte arm. Je zou er bijna iets Arisch van denken als het niet echt spontaan gebeurde. Ze wees precies op het moment dat ik voorbijkwam en ik liep met gestrekte neus haar vinger in. Het had ook oog of oor of mond kunnen zijn, toegegeven, dit was voor de minst erge, maar god, een oog was voor haar het leerzaamst geweest. Het duurde niet lang, het was maar even, ze ging heus niet diep, maar toch. Hij ging erin en eruit, die vinger. Te laat, maar soepel draaide ik mijn neus van die vinger af en liep snel door om geen olie op het toch al hilarische vuur te gieten. Ik wilde naar huis met mijn Nijntje-toetsenbord.
Onderweg appte chef in de groepsapp dat Huppeldepup ziek was geworden en YES PLEASE IK KOM AL.
