De discussie rondom het boek ‘het Zoutpad’ ontgaat mij ook niet. Ben laatst naar de film geweest en heb heel erg genoten van Gillian Anderson en Jason Isaacs en het landschap en natuurlijk heb ik het boek in flinke stapels in boekwinkels zien liggen en ik heb geen enkel recht van spreken. Het ding is dat iedere schrijver, of nou, schrijvers van dit genre zich wel eens afvragen wat echt is en wat het percentage van echt moet zijn in een boek met het stempel waargebeurd en ik denk dat het daar mis is gegaan. Want als schrijver, hoe autobiografisch je verhaal ook is, het kan nooit 100% zijn. Jouw visie op iets is nooit 100% hoe het precies is.
Precies is altijd een doorsnede, iets waar meerdere mensen naar gekeken hebben. Napoleon bepaalde wat een centimeter precies is en de rest van de wereld voerde dat uit. Als schrijver ben je god in je eigen universum. Jij bepaalt wat er gebeurt met wie, wat, waar en waarom en wanneer. Dus dat de auteur van het Zoutpad dingen heeft aangepast, verandert en mazzel heeft gehad met haar doorbraak: dat is ook gewoon hoe de literaire wereld werkt. Soms heb je geluk. En als andere mensen opeens vinden dat je liegt, dan heb je pech, maar dat is dan wel hun mening en niet jouw beleving. Ik ken een boek waarin iemand water in wijn verandert en daar vallen 2000 jaar na dato nog steeds families over uit elkaar. De ene zegt dat het niet kan, de ander zegt dat het wel kan en vervolgens komen ze niet meer bij elkaar over de vloer. En dan denk ik, het zegt niks over de kwaliteit of de geloofwaardigheid van een boek, het gaat over wat er in het hoofd van mensen gebeurt. Nou heb ik een stukje in zowel het Zoutpad als de Bijbel gelezen en ik vind ze allebei matig geschreven, maar daarmee zijn het voor mij nog steeds waardevolle verhalen. Zeker als je Jason Isaacs zover krijgt om los te gaan in een op zijn goeie lijf geschreven rol.
Er was eens een weduwe met een hernia. Ze had ook een etui, die had ze al meer dan twintig jaar. Hij leek op een Perzisch tapijt met gouddraad er doorheen. Er zaten mooie pennen in en wat rommeltjes van mensen die ze lief vond. Op een maandag was ze haar treinkaartje kwijt en ze moest haar hele rugzak leeghalen om het treinkaartje te vinden, anders kon ze niet naar huis. Toen ze thuiskwam ontdekte ze dat ze haar etui kwijt was verloren. Ze was hem waarschijnlijk vergeten tijdens het in- en uitpakken. Dat en de pijn in haar rug maakten het er niet makkelijk op. Plus, het was de maand dat haar man zeven jaar geleden opeens achteruitging. Als de groeven in een plaat wist ze van iedere dag: toen gebeurde dit en toen gebeurde dat. Toen ze ook haar etui nog kwijtraakte belde ze huilend een vriendin op.
De vriendin, een wijze Brabantse vrouw, trapte er niet in. ‘Ik geloof je niet,’ zei ze tegen de weduwe. ‘Ik geloof niet dat het de pijn in je rug is of de maand van je verdriet, er is iets anders aan de hand. Je bent boos,’ zei de vriendin. De weduwe snapte het niet. Boos was niet een emotie die bij haar paste, ze was niet iemand die van nature lang boos kon zijn. Ze vertelde dat ze tijdens een wandeling besefte dat na zeven jaar iedere cel in je lichaam zich vernieuwd heeft. Dus dat er, omdat het zeven jaar na de dood van haar man was, geen cel meer in haar lichaam was die hem nog meegemaakt had. Geen bot, geen stukje nagel, geen breincel. Geen enkele fysieke herinnering. Alles aan haar was nieuw. Dat betekende dat haar man echt alleen nog een herinnering was. ‘En dus moet je door,’ zei de vriendin. ‘Maar dat wil ik niet,’ zei de weduwe. ‘Ik ben bang dat als ik hem loslaat, dat hij dan weg is. Dat ik hem niet meer zal voelen zoals je de doden voelt.’ De vriendin luisterde. Liet haar huilen tot ze klaar was. ‘Je bent niet bang. Je hebt namelijk het engste al gedaan namelijk, je hebt letterlijk zijn dode lichaam in een lijkenzak getild en de rits dichtgedaan. Je bent daarna letterlijk het leven aangegaan. Jij bent niet bang. Je bent boos omdat je vind dat je genoeg los hebt gelaten en je grip wil hebben op dat ene dat je nog van hem hebt. Het ding is, dat is juist wat je helemaal niet vast hoeft te houden. Want juist dat is er altijd. Omdat hij altijd een deel van je zal zijn. Denk je dat op het moment dat jij besluit jezelf weer alleen bij je meisjesnaam te noemen, dat alle eksters dood uit de lucht vallen? Je hebt afgelopen winter je trouwring afgedaan, verdween Bowie toen opeens uit de wereld? Je bent boos omdat je niet met jezelf aan de slag bent gegaan, maar steeds met andere dingen, andere mensen bezig was. Het museum, school, Rusland. Maar wat zei jouw docent nou? Die van vorig semester?’ ‘Ik moet naar de chiropractor,’ zei de weduwe en bozig hing ze op.
Na de chiropractor, waar ze lopend heen was gegaan, omdat lopen pijnloos is, betrok de hemel. Donkere wolken trokken over de stad. ‘Kut,’ zei de weduwe en ze besloot te schuilen bij haar favoriete boekwinkel. Daar werkte een vriendin die meteen zag dat er iets was. ‘Jij komt iets goeds kopen,’ zei ze. ‘Ga maar naar de reisafdeling.’ De weduwe liep de trappen op, liet haar vingers langs ruggen van boeken glijden, Denemarken, Rusland, Engelse literatuur, maar ze liet alles links liggen. Pakte een landkaart van Schotland en liep weer naar beneden. ‘Eindelijk,’ zei de boekenvriendin. ‘Wanneer ga je?’ ‘Maart,’ zei de weduwe. ‘Wat ga je doen?’ ‘Lopen.’ ‘Mooi zo.’
Thuis lag er een kaart op de mat. Op de envelop het handschrift van de wijze vriendin. Er zat een kaartje in met een distel erop. De weduwe appte de vriendin. ‘Jeuzes die heb ik echt vorige week al gestuurd, wat heb die er lang over gedaan man, kut.’ De weduwe vroeg of de vriendin wist dat de distel de nationale bloem van Schotland was. Wist ze niet. Of ze wist dat de weduwe drie distels in haar bruidsboeket had, dat was ze vergeten. De weduwe ging vroeg naar bed die dag.
De volgende dag moest de weduwe werken na een paar dagen vrij te zijn geweest, wat goed uitpakte, want de rug deed zo zeer, ze kon er fuck all mee. Maar nu moest ze weer. Wel mocht ze samenwerken met een dierbare collega. ‘Moet nog effe wat printen hoor,’ zei de collega terwijl de waterkoker pruttelde en de kassalades geteld werden. Klik klik, klonk het en toen: ‘Hohhh moet je dit horen, dit is zo mooi…’ de collega zette een liedje op. Over een boom. Gezongen door een Schotse meneer. De boom waar de man over zong was de boom die de weduwe voor haar huis had staan. Ze zuchtte diep en herpakte zich. De winkel was nog niet open of er gebeurde al van alles.
Na de middagpauze kwam opeens een van de twee leerlingen van de schrijfcursus die de weduwe vorige maand gegeven had, binnenwandelen. ‘Ik heb nog iets voor jou, want de lessen waren zo fijn.’ ‘Huh,’ zei de weduwe. Er werd iets zachts uit een tasje getild, het was mooi ingepakt in blauw vliegerpapier. Het was een etui. De leerling had een etui gemaakt van spijkerbroekenstof. De weduwe had van de broeken van haar man een spijkerbroekendeken laten maken, een paar maanden na diens dood. De vrouw die die deken maakte had hier en daar, tussen al dat blauw, een rood draadje verwerkt. Omdat rood de kleur van liefde is en de weduwe droeg rode schoenen op haar bruiloft, want ‘put on your red shoes and dance’. De leerling had een rood draadje er doorheen verwerkt. Ze wist niet dat de weduwe haar etui kwijt was. Ze wist niet van de deken. Ze wist niet van het rode draadje. De weduwe bedankte, maar wist het even niet meer. De leerling ging weer naar huis, de collega keek de weduwe aan, er waren klanten die geholpen wilden worden.
Die avond wandelde de weduwe na werk naar het zuiden van de stad waar ze werkte. Daar, aan de rand, lag een klein museum waar wat mensen werkten die ze lief had. De weduwe had behoefte aan mensen om zich heen, dus ze appte er een paar. Toen ze aankwam stond er een groepje schatten met tassen vol wijn en chips en chocola en spelletjes en dekentjes op haar te wachten. Zelfs de favoriete hond was mee. Ze gingen aan het water zitten en Hitster spelen. Het eerste kaartje dat de weduwe omdraaide was het jaar 1960, het geboortejaar van haar man.
Weet je? Je hoeft het niet te geloven. Het gaat erom dat je als lezer of ‘consument van kunst’ even ergens in zit, in plaats van in de shit van alledag of bij het wereldleed. Niet dat die zaken er niet toe doen, maar een mens kan dat niet continu dragen. Het is mens-eigen daar op een gegeven moment uit te moeten stappen, om even op te laden. En als mijn verhaaltje dat deed, dan is dat voor mij de bonus. Of je me gelooft interesseert me niet, sterker nog, als ik het teruglees geloof ik het zelf niet eens. Ik heb er zelfs iets uit weggelaten, omdat het in mijn ogen/oren ongeloofwaardig klinkt en ik wil jou als lezer niet nóg meer info in je maag splitsen. Dit is al een kei-lang verhaal.
Toen ik die avond licht beschonken naar huis fietste hing de volle maan laag aan de hemel. Ik parkeerde mijn fiets bij de lijsterbes en begon te lopen. De maan achterna. Om hem maar van zo dichtbij mogelijk te kunnen zien. De wijk uit, over het kanaal, dwars door het park waar het hartstikke donker was (had voor de veiligheid mijn zelf gesmede mes meegenomen), langs de drukke weg die helemaal niet druk was. Er was niemand. Ik was alleen.
Het Bossche Broek ademde rust. Kil, blauw licht lag over de velden. Onderaan het pad, in de bocht naar links, langs het water, weerkaatste de maan in het oppervak. In de verte kwetterde een ekster.
