We zaten op een bankje in de binnentuin van uitgeverij De Arbeiderspers, omringd door belezen mensen in mooie kleren en bellen wijn in hun handen. Luid pratend over het boek dat net gedoopt was, het was 1 mei. Hij, mijn docent poëzie van een cursus die ik volgde voor ik aan de daadwerkelijke opleiding begon, met ook een Kånken rugzakje, zat naast me aan de Spa. Zijn ene been over de andere, net als ik. Zo zaten we te loeren, kletsten koetjes en kalfjes en kwam ik niet ook uit het zuiden?
Dat had hij goed onthouden. Het ontroerde me. Hij wilde binnenkort wel weer eens naar mijn stad, een museum bezoeken, ik bood aan mee te gaan, hij reageerde opgelucht en blij, maar hij had geen zin in drukke musea en dus viel meteen het ene grote museum dat onze stad rijk is, af.
‘Ah,’ zei ik ‘dan gaan we naar Museum Slager.’
Hoe ik erop kwam, geen idee. Jaren geleden voor het laatst geweest, maar ik had die dag nèt een Museumkaart en dus vielen musea meer op, want die kaart mot er natuurlijk wel uit voor het jaar om is. Enthousiast vertelde ik van de Bossche kunstenaarsfamilie die acht koppen telde, en wat voor mooi werk ze hadden gemaakt. Zeker gezien de tijd waarin ze werkten.
‘Je kan wel zien dat je in een museum werkt.’ Hij sloeg me uit het lood. Even wist ik niet wat ik moest zeggen, ik werkte niet meer in het museum, dat wist hij niet. De bombarie waarmee ik weg ben gegaan voel ik nog iedere dag, net als het gemis dat daarmee gepaard gaat. Dit was niet het moment om dat uit de doeken te doen, dat kwam nog wel een keer. Of niet. Ook goed. Tegelijkertijd had hij dus mijn liefde voor musea gezien. Door alle bombarie op de achtergrond geraakt, maar tijdens dat gesprek op dat bankje in die binnentuin, werd er iets onrustig diep van binnen. Ik beloofde hem een rondleiding.
Vervolgens kabbelde het gesprek verder, maar de onrust bleef. Wat mis ik nou echt, naast de mensen natuurlijk. Waarom had die man, die ik sinds 2021 alleen af en toe in leraarskamer zag zitten of in de wandelgangen zag, door dat ik vuur heb voor musea? Wat vind ik het leukst om te doen? Boogschieten, ja tuurlijk, maar er is meer. Er ligt nog iets achter. Waarom ik het vijf jaar zo ontzettend naar mijn zin heb gehad in mijn museum, waarom ik werken in het Spoorwegmuseum zo waanzinnig vond, waarom het Land van Ooit me zo goed lag. Ik mocht in de huid kruipen van iemand. Vertellen over iets moois vanuit iets moois. Ik mocht me verdiepen in een belevingswereld en daarin opgaan. Het Land van Ooit is failliet, de bombarie heeft gezonde afstand afgedwongen, dus waar nu…
Afgelopen week was ik onderweg naar een afspraak met een vriendin. We hadden in de middag afgesproken, dus ik zag mijn kans schoon. Eerst even langs Museum Slager om te zien of ze een overzichtsboek hadden of zoiets. Ik had een krap uur rekende ik, voor ik op het station moest zijn. Dus naar binnen, boek halen, wegwezen. Simpel. Ik zette de pas erin, liet mijn Museumkaart scannen en wilde eigenlijk meteen doorstomen, vertellen dat ik haast had, maar de aardige mevrouw achter de balie vertelde dat er een expositie was van de werken van Toon Hermans. Oh… nou dat wil ik best even zien, kan best in dat uurtje.
Mensen. Ik werd van mijn sokken geblazen. Een ruimte met langs de muren de schilderijen van Toon, in het midden rijen stoelen gericht op een grote televisie waarop hij te zien was. Op het podium. In zijn element. Met dat vlassige snorretje en die kleine, heldere blauwe ogen in dat bruine hoofd. Totaal onverwacht kwam hij binnen. Als jong meisje, ik was elf of twaalf of zo, naar een optreden geweest van hem in het Circustheater. Zijn vrouw Rietje, was net overleden, het was de eerste reeks voorstellingen sinds haar dood en ik heb zitten huilen om de liefde tussen die twee. Je zal je leven maar op moeten pakken zonder. Hij schreef en vertelde in zulke simpele zinnen, in zulke simpele beelden, goddank heeft mijn vriendin die ik later zou bezoeken katten en had ik dus een zakdoek bij me.
In een kleine ruimte buiten de theaterzaal stond een tafel met daarop het gastenboek. Ik ging er even voor zitten. Dezelfde mevrouw als eerder bood me een kopje koffie aan en toen begon ik bijna weer te huilen. Mompelend bedankte ik, vertelde dat ik nog een afspraak had, verontschuldigde me. Ik kocht het grote boek over de Familie Slager en haastte me naar het station.
Diezelfde avond trok ik het plastic van het boek en opende de pagina’s. De geur van drukinkt, het kraken van de rug na het eerste openen, de glanzende prenten, een vrouw met een hoed met een riante, blauwe strik. Wat als schrijven en spelen samen zouden gaan… wat als deze mensen zelf konden vertellen van hun werk. Volgens mij heb ik een mooi project voor de zomervakantie. Het verhaal over de prosecco in de kerk houd je van me tegoed, deze moest er eerst uit.
