Mensen met bedrijven maken reclame. Het is als op het marktplein staan en roepen dat je vis verkoopt. Probleem is, het moet wel kloppen wat je roeptoetert. Mijn god, ik ben zo blij dat ik niet inkomensafhankelijk ben van schrijven. Dat ik een gewone, saaie baan heb, met gewone, saaie collega’s en gewone, saaie klanten naast mijn wilde bestaan als schrijver. Want ik ben nog lang niet goed in roepen wat ik precies verkoop, omdat ik het zelf ook nog niet zo goed weet. Ik sta voor een kraam vol vers gevangen, spartelende… ho wacht.
Mensen met bedrijven maken reclame. Het is als op het Marktplein staan en roepen dat je brood verkoopt. Probleem is, het moet wel kloppen wat je roeptoetert. Hemel, ik ben zo blij dat ik niet inkomensafhankelijk ben van schrijven. Dat ik een gewone, saaie baan heb, met gewone, saaie collega’s die me met rollende ogen aankijken als ik zo over ze schrijf. Want ik ben nog lang niet goed in roepen wat ik eigenlijk verkoop. Ik sta voor een kraam vol heerlijk, geurende zoete broodjes en ik krijg het voor elkaar om keihard VETTE VIS te roepen.
Reclame maken. Ik loop er voor weg. Ik wil niet zijn als al die slimmeriken die vinden dat anderen geholpen moeten worden. Ik heb een hekel aan het werkwoord helpen. Helemaal als het ongevraagd is. ‘Ja maar ik wil alleen maar helpen,’ vind ik zo’n onaardig excuus. Enerzijds zit er een waardeoordeel over de ander in en anderzijds vindt jij dus dat jij de geschikte persoon bent om die ander te helpen. En nergens de vraag of die ander door jou geholpen wil worden of überhaupt geholpen wil worden. Weet je, als die ander hulp nodig heeft en jij bent betrouwbaar genoeg, dan vraagt diegene je vanzelf wel. Je hoort het, in alle online ‘master’classes die ik tegenwoordig volg (opvallend vaak gegeven door vrouwen van rond de dertig die me binnen een maand 10 kaa beloven) komt het woord helpen vaak voorbij en ik aaargh. En het irriteert me nog het meest, omdat ze een punt hebben. Als ik wil dat dit gaat lopen, mijn schrijfcursus voor woordzoekers, voor taalbalers, voor balpenbijters, als ik echt van schrijven rond wil gaan komen, als mijn saaie baan in de saaie winkel mijn hobby moet worden, dan MOET ik wel gaan roeptoeteren.
Gelukkig was het dit weekend Jazz in Duketown. En dat is natuurlijk veel belangrijker dan de afwas of een pakkende tekst schrijven, of strijken. Het was voor het eerst sinds jaren dat ik er weer heen kon en dan zou ik me door dagelijkse dingetjes tegen laten houden, nee zeg. Het ding is, de reden dat ik er al jaren niet meer heenging is omdat op mijn vorige baan een groot evenement plaatsvindt. En dat evenement is er dit weekend dus ook weer en iedereen die ik lief vind, is daar. En alle anderen die ik lief vind zijn al zo vaak naar Jazz in Duketown geweest dat het saai is geworden of ze kunnen niet. Dus ik ging alleen.
En het moment dat ik doelloos de stad in ga om gewoon een beetje muziek te luisteren, heb ik altijd het gevoel dat er een enorme bouwlamp aangaat die vervolgens op mij wordt gericht. Daar loopt iemand in haar uppie. De duizenden mensen die ik passeer zien die bouwlamp niet eens, het zal ze aan hun reet roesten of ik alleen ben of niet, maar ík zie hem. Zo fel en zo recht van boven dat ik niet eens een schaduw heb. Ik, op mijn beurt ben me bewust van de samenstellingen van groepjes en groepjes zijn overal. Happiness is only real when shared, schreef Jon Krakauer in Into the Wild. Ik heb één andere vrouw alleen op een terras zien zitten, maar uiteindelijk bleek ook zij niet alleen, want op de stoel naast haar zat zo’n hond met een naar binnen gefokte snuit. Met van die uitpuilende ogen, je weet wel. Ze deelden een ijsje. Ik ben doorgelopen.
Slenterend tussen verschillende podia liep ik een aantal keer de Duke City Dixie Devils (hoe kom je erop) tegen het lijf. Niet letterlijk, ze hadden altijd een schare volk om zich heen, ik weet niet eens met hoeveel man ze zijn, maar het ding is, het p l e z i e r waarmee ze speelden raakte een gevoelige snaar. Alsof dat de kern is van wat ik wil met mijn trainingen. Het lullige van muzikanten is dat het er altijd makkelijk uitziet wat ze doen, maar dat is het nooit. Ik heb sinds een paar dagen het gitaarspelen weer opgepakt en mijn vingertoppen doen F*CKKIIINNGGG zeer en ik heb nu al nul zin in die spreekwoordelijke 10.000 uur die je moet investeren voor je een instrument een beetje begrijpt. Maar de luchtigheid is wat trekt. Is de kern van mens-zijn, denk ik. Naast overleven: spelen.
Ik stond op de Markt. Groepjes verplaatsten zich, groepjes zaten op terrassen, groepjes luisterden naar muziek en ik wist dat ik genoeg gezien had. Was er heel moedig even uit geweest, maar ik moest aan de bak. Naar huis. Strijken. Afwassen en reclame maken. Wat vervolgens in de soep liep natuurlijk, maar hé, ik ben geen pro. Ik ben hier niet om je te helpen. Ik ben hier om te laten zien dat ik ook maar wat doe. Dat ik ook maar wat speel. Kom je ook schrijven? Met dezelfde klunzige gezelligheid als de Duke City Dixie Devils? Schrijven is jazz. Een lekkere puinhoop waar iets moois uit bloeit.
VETTE VIS
