Al jaren fiets ik iedere dag om de stad heen naar het station en kom dan langs dat markante gebouw aan de Aa, het Kruithuis. Ik moet er altijd even naar kijken, het is zo’n typisch 80-jarige oorlogsgebouw, waarvan ik ook niet weet wat dat nou precies inhoudt, maar ik bedoel dat het iets ademt wat ik me bijna niet kan voorstellen.
De dikke muren, de verschillende kleuren stenen waar het uit opgetrokken is, de poorten, de wapens. De verhalen. Een andere manier van oorlogvoeren dan die we iedere dag voorgeschoteld krijgen, gebaseerd op overtuigingen waar we nu echt niet meer bij kunnen met ons Nederlands verstand. (Ik had hier bijna ‘Hollands’ geschreven, maar dat zou gezien de geschiedenis van het gebouw niet op zijn plaats zijn.) Ons idee van oorlogvoeren is altijd een gek aan het roer van een land die omringd wordt door meelopers en jaknikkers. Gestoorde presidenten, keizers en koningen. Oorlog op basis van religie… dat je letterlijk een kerk binnenstormt en daar de boel kort en klein slaat… daar zijn we te nuchter voor geworden. En toch raakt het ergens een snaar. Ik wil altijd even naar binnen, bij zo’n gebouw.
Dus daar ging ik. Na maanden zeggen: ik wil erheen, maar nooit tijd en als ik tijd had, dan koos ik voor schrijven en vandaag was ik spontaan vrij vanwege de treinstakingen (NS I LOVE YOU) dus hup. En dan is het opeens een dingetje. Hoe lang fiets ik daar al langs? Zeven jaar. Ik heb een heel beeld gebouwd in mijn hoofd over hoe het eruit moest zien, van binnen en van buiten. Niet alleen nu, maar ook toen. Ik heb de afgelopen jaren genoeg garnizoenen voorbij zien komen, genoeg soldaten in harnassen, leve dat werk in dat lieve museum in Eindhoven. God wat miste ik het vanmiddag, werken in historische setting. Of het nou in een polo zou zijn of in kostuum, het zou me niet eens heel veel uitmaken. Ik liep de brug over en betrad het gebouw.
Er was niemand. Ik was helemaal alleen. Het restaurantje was dicht, mijn voetstappen weerkaatsten in de galerij bij de entree, waar ik uiterst vriendelijk werd ontvangen door twee of drie heren vrijwilligers. Twee achter de balie die mijn Museumkaart scanden en die me vervolgens overlieten aan Jan, die zich netjes voorstelde en me uitnodigde voor een kleine rondleiding. Een privétour door het museum, wat een luxe. Geen idee hoe het met de andere heren gesteld was, maar ik viel met mijn neus in de boter. Jan is er zo een die het niet uitmaakt hoeveel koppen zijn publiek telt. Als er interesse is, dan gaat hij los en dat ging hij. Zonder -moet gezegd-, want dat is ook een kunst, uit het oog te verliezen dat ik misschien op een gegeven moment ‘vol’ zat. Hij voelde het naadloos aan. Maar wat een verhalen. We stonden op de brug voor het gebouw en we konden alleen al over de gracht nog uren doorpraten. Hij trof het ook met mij, ik weet van veel een beetje en ik ben nieuwsgierig. Smakelijk vertelde hij over het wapen boven de poort en hoe de architect tot deze vorm kwam. Hij legde uit waar het buskruit lag en ik kon GODDANK net mijn verbazing inslikken, want duh, wat denk je dat ze daar anders opsloegen!? Ik had die link totaal niet gelegd! Hier lag ècht de hele gevaarlijke shit! Het hele gebouw was ontworpen voor het goed kunnen opslaan van de gevaarlijke shit! En Jan kon verdomd goed uitleggen waarom de muren daar dikker waren dan daar en waarom de ingang aan de Aa-kant lag en niet aan de stadse kant. Het was zalig weer eens iemand vol liefde te horen praten over iets en het zette me aan het denken.
Na een half uurtje liet Jan me gaan. Ik mocht verder het museum in mijn uppie door. Langs platen, panelen, langs informatiezuilen met mooie prenten, waar ook met geluiden en stemmen werd gewerkt. Ik mocht naar boven, een wenteltrapje op, waar dieper op de moerasdraak werd ingegaan en een prachtig systeem van levensgrote geanimeerde tekeningen en die levensechte mensen voorstelden. Mensen die vertelden van hun dagelijkse beslommeringen in tijden van oorlog, want oorlog was het. Den Bosch werd van alle kanten aangevallen in 16-nog-wat. En omdat het zo ‘speels’ werd getoond, zo verzorgd, zo de situatie van alle kanten belichtend… ontroerde het me. De hele zolder was leeg op mij na en ik heb iedere tekenfilm grondig bekeken. De Bosschenaren spraken het echte Bossche dialect en de aanvallers (of bevrijders, zoals ze zichzelf noemden) spraken Hollands met een zwaar Engels accent of zelfs Haags. Het was tot in de puntjes verzorgd.
Met een hoofd vol buskruit en verhalen liep ik even later de trap weer af. Het terras in het hart van het gebouw was leeg. Ik zag me daar al zitten met mijn laptopje en een stapel boeken van de bieb. Als de commissie van school heeft laten weten hoe mijn leven er in september uitziet, ga ik toch maar eens kijken wat ik voor Kring Vrienden van s-Hertogenbosch kan doen. Als jong meisje wilde ik altijd schipper op de Binnendieze worden, dat regelt die stichting ook. Misschien is het tijd. Eerst maar leren zwemmen. Tot die tijd lekker rondhangen in mijn nieuwe favoriete stek. Het Kruithuis. https://museumkruithuis.nl/
Van harte aanbevolen.
Oh en er is nog plek in mijn schrijfklasje op dinsdagavond! Wil je ook je schrijfspier in beweging brengen? Lees even dat stukje tekst hieronder.
