stout

Een tijdje geleden kreeg ik een uitnodiging van een uitgeverij voor de boekpresentatie van mijn docent proza van vorig jaar. Leuke zin, maar hier zit veel achter.

In de jaren dat ik schrijf is een duidelijke kentering te merken. De jaren vóór dat jaar proza en de jaren ná dat jaar proza. Mijn docent proza heeft qua schrijven, kritisch schrijven een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Hij liet me na dat jaar ook niet overgaan, wat ik hem tot de dag van de dag niet in dank afneem. Dat ik juist dankzij dat negatieve reisadvies bij jeugdliteratuur belandde en daar mijn schrijfplezier weer terugvond en de moed kweekte autobiografisch te schrijven, wat ik dit semester doe, laat ik voor het gemak achterwege. In dit vak moet je boos zijn op minstens één persoon en ik kies hem. Vervolgens stond ik vandaag met tranen in mijn ogen en een berg misplaatste trots te kijken hoe hij zijn nieuwste boek presenteerde.

Dit gebeurde allemaal in het kloppende hart van zo beetje de hele literaire wereld. Je mag dit gerust zien als backstage zijn bij het slotconcert van Glastonbury in 2000, tenminste zo was het voor mij. Niet dat ik iedereen kende, maar soms voel je gewoon dat je omringd bent door je meerderen. Alle neusjes van de zalm waren er, en ik. In een statig pand waar meerdere uitgeverijen onderdak vinden. Ik vond er wat van. Dat ik daar mocht zijn.

Goddank liep ik bij binnenkomst mijn docent poëzie tegen het lijf van het eerste jaar en die begon meteen met me te kletsen. Anders had ik het ook wel overleefd, maar het was fijner door te vragen naar het wonderlijke gegeven dat Jakarta langzaam aan het wegzakken is (waar hij over vertelde) dan met mijn 1,78 muurbloem te spelen tussen volk dat overduidelijk ouder, kleiner en VEEL meer belezen was dan ik. We praatten over Couperus, over school, over mijn leraar Nederlands dankzij wie ik ben gaan schrijven, dankzij zijn leraar Nederlands dankzij wie hij ging studeren en hoe dat dan samenkomt in een Amsterdamse binnentuin. Waar ze Amstel schonken. ‘Ach ja,’ verzuchtte mijn gezel, ‘jij kwam toch ook uit het zuiden?’ Ik knikte en vroeg een glaasje water.

De presentatie was liefdevol. Het was fijn mijn nemesis te zien slikken bij alle mooie woorden. Het komt hem toe, nondeju. Er werden exemplaren overhandigd, er werden handen geschud en daarna was er de borrel waarbij de volumeknop van het kabbelend kletsen steeds meer open werd gedraaid. En al die tijd had ik de beste gesprekspartner die ik me maar kon voorstellen. Heb me geen moment ongemakkelijk, oké da’s niet waar, ik heb me plenty ongemakkelijk gevoeld. Maar het was ook nog verdomd gezellig. Na nog een drankje nam ik afscheid, kocht binnen een exemplaar van het robuuste ei dat meneer gelegd heeft en sprak hem aan. Feliciteerde hem. Ik hoefde niet te vragen of hij het boek wilde signeren, ongevraagd trok hij een pen uit zijn binnenzak en ging bij een sta-tafel staan. Veegde wat chipskruimels weg. En signeerde met: ‘voor de tsarina.’ Op de dag van revolutie hahahahaha.

Terwijl achter me iedereen steeds harder begon te praten, pakte ik mijn vest van de kapstok en liep terug de ontvangsthal in. Er was een balie met posters en een diepe gang met een hoog plafond helemaal gevuld met boeken die daar het levenslicht zagen. Wat zou het mooi zijn als ik daar ooit… opeens kwam alles tot stilstand. Het gekabbel draaide weg. Ik had een verhalenbundeltje bij me. Dat bundeltje dat ik maakte na mijn tweede jaar, met de drie sterkste verhalen erin. Geschreven in de tijd vóór mijn lessen bij meneer, dus beduidend anders dan hoe ik nu schrijf. Ik had zo’n exemplaar bij me. Zou ik…

Er stond een houten bank in de gang. Ik keek om me heen en liet mijn rugzak van mijn rug glijden en trok de rits open. Viste het bundeltje eruit. Schoof die ónder de dikke pil van meneer. Ritste mijn rugzak weer dicht, deed de rugzak weer om en liep naar de boekenkast. Naar die enorme boekenkast met al die grote namen. Waarvan er een paar in de tuin wijn aan het slobberen waren en te hard lachten om integrale grappen. Die ik nooit begrijpen zal. Ik keek om me heen. Niemand. Ik zette mijn bundeltje ertussen. Scheef. Beetje in het zicht, maar niet te erg. Niet op ooghoogte, maar net eronder. Met die sneeuwwitte kaft tussen alle mooie gebonden boeken. Vervolgens trok ik vest en dikke pil tegen me aan en haastte me naar buiten en zette het op een lopen.

‘Ik heb iets gedaan!’ ‘Wat heb je gedaan!?’ ‘ IK HEB IETS GEDAAN!’ ‘WAT HEB JE GEDAAN?’ ‘Ik zeg toch altijd dat ik bij een goeie uitgever terecht wil komen?’ ‘Ja…’ ‘IK LIG BIJ EEN GOEIE UITGEVER!’ ‘WAT HEB JE GEDAAN?’ ‘IK LIG BIJ EEN GOEIE UITGEVER. Ze weten het alleen zelf niet, maar dat doet er niet toe. Ik lig er!

Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *