Hij kwam de winkel in, nee wacht, ik moet eerst dit vertellen. Afgelopen zes jaar begon mijn hart acuut harder te kloppen bij iedere helm die ik zag. In de kring van collega’s en collega-vrijwilligers zaten heel wat ijzervreters, zwaardzwaaiers en maliënklooiers.
Er waren er zelfs een paar die helmen maakten. Kan je nagaan wat het met je doet als je dat alleen al ziet, dat urenlange gehamer op een plaat ijzer. Ik heb kinderhoofdjes zien verdwijnen in helmen, ik heb mannen met helmen elkaar te lijf zien gaan en het was prachtig. Dus toen hij vandaag de winkel binnenkwam, nee wacht, ik moet eerst dit vertellen.
Negen jaar lang werkte ik in het Land van Ooit. De tien jaar daarvoor was ik vaste bezoeker of zeg maar gerust fan. Liefhebber. Bewonderaar. In het Land van Ooit woonde een hertogin en die liep door het land (ja, ik weiger ‘park’ te zeggen) met een kinderwagen met daarin een helm. Die helm was haar kind. Roderik. Ze schepte erover op. Het was een genot om naar te kijken. De verwarring van bezoekers als ze eerst te horen kregen hoeveel talen Roderik wel niet sprak en wat ze zagen als ze bij allerhoogste uitzondering even achter de gordijntjes van de kinderwagen mochten kijken. Met andere woorden, ik heb iets met helmen. Maar dit stukje gaat over een brommerhelm. En ik weet dat het een brommerhelm was, want hij kwam de winkel in een halfopen windjack en een wijd vallende spijkerbroek. Mensen met motorhelmen dragen kleren die het vlees en de botjes bij elkaar houden als ze onderuit gaan.
Wat niet te wijd viel was de helm. Die hij niet afzette toen hij de winkel binnenkwam. Hij hield hem op. Zodat mijn collega en ik goed konden zien dat de helm vermoedelijk te klein gekocht was, of lang geleden gekocht en dat ondertussen de tand des tijds enkele kilo’s had aangezet. Zijn gezicht had iets van een kogelvis. Bij ons mag iedereen dragen wat hij wil, maar als je je helm ophoudt in de winkel, dan houden we je in de gaten. Niet in het minst omdat ik een keer overvallen ben door iemand met een helm op. Lang geleden, allang verwerkt, all good, maar toch. Bovendien zag iedereen er zomers uit, in jurkjes en casual overhemden, dus hij viel een beetje uit de toon, zeg maar.
Ruim een half uur dobberde de zwarte reuzenkerstbal door de winkel. Het ene moment weerkaatste hij licht in de hoek bij de thee, dan weer was hij een black hole Sun bij de sportafdeling. Toen hij zich verschanste in het hoekje waar ons aromalampje staat te roken schrok ik, want toen hij voorover boog om het rookpluimpje nader te bestuderen, verloor hij bijna zijn evenwicht. Dit was alles behalve bedreigend. Onze brommer had totaal geen sjoege van hoe met een helm op een winkel binnenkomen overkomt. Mijn collega en ik keken elkaar kort aan wisten: over deze hoeven we ons geen zorgen te maken en we gingen verder met onze dagelijkse beslommeringen.
Vervolgens kwam hij naar de kassa met twee potjes van het een of ander en hij keek uitermate bedenkelijk.
‘I…’ zei hij. Ik pakte twijfelend een van de potjes, klaar om te scannen, maar hield me in.
‘I am looking for something…’
‘Allright…’ ik schoof het potje terug, ongescand.
‘But…’ Ik zocht oogcontact met mijn collega, die ons met een kritische blik gadesloeg.
‘I can’t remember what is is.’
‘Allright… shall I put this aside for you so can take another look in the store?’
‘No…’ hij keek me aan en ik weet niet wat er gebeurde, maar opeens keek hij me aan alsof hij James Bond zelf was. Die aan de bar zit van een luxe etablissement en zijn bestelling opgeeft aan een veel te knappe, schaarsgeklede bardame. Hij gaf geen knipoog, maar de rest van zijn opbollende, samengeperste wangen was een en al knipoog. En hij droeg nog steeds die enorme, zwarte helm. Half in paniek keek ik opzij. Helaas. De ellendige fonkeling in de ogen van mijn collega was al zichtbaar. De ellendige fonkeling van iemand die olie slaat. Of goud vindt. Nee, articuleerde ik, please nee.
‘Just these two then?’
‘Why yes please, milady.’ Milady ook echt. Ja hoor, gesnuif naast me.
‘That’ll be twenty euro’s please. You want a bag?’
’No, but…’
‘Goodhereyougobye.’
‘Would you mind…’
‘BYE.’
Als een hond op vinyl maakte ik dat ik wegkwam, een hinnikende collega achterlatend. Toen de winkel kort daarna even leeg was, barstte ze alsnog los en ik liet haar. Ze sandwichte haar gezicht tussen haar handen en flirtte met me en ik liet haar. Tot de tranen op waren, tot haar wangen zeer deden.
‘Je stond nog ingelogd in de kassa toen ik hem hielp, dus als er een liefdesbrief komt, is ‘ie aan jou gericht.’
