in rook opgaan (en andere grapjes)

‘Nou, ik ben effe roken.’ Ik gebaarde met twee vingers een sigaret en nam twee haastige, fictieve trekken. Mijn collega schoot in de lach. ‘Ga jij maar effe paffen.’ Een vaste klant keek verbaasd op, maar ging daarna meteen door met het lezen van verpakkingen. Het ding is, ik rook niet. Niet echt.

De longverpleegkundige plantte twee roze, plastic dingen voor me neer op haar bureau. Ik kan ze niet anders beschrijven dan als ouderwetse joysticks of natgeregende, roze wc-rollen. Beide tot de helft afgewikkeld met in het midden een doorweekt wc-rol-kartonnetje.
‘Dit zijn bronchiën. En deze,’ ze wiebelde met de linker die met een paar roze lintjes omwikkeld was en strakgetrokken. Als een korset Of een rollade. ‘En deze soort heb jij. Deze lintjes zijn spiertjes en bij jou zijn ze strakgetrokken. Daarom adem je de laatste tijd zo moeilijk. Het is niet gek, opvallend meer mensen hebben dit seizoen last van pollen en als je longen je zwakke plek zijn, dan kan de boel overbelast raken. Voor een astmapatiënt als jij is dit een zwaar voorjaar. Eigenlijk had je eerder aan de bel moeten trekken.’

Mijn brein ging razendsnel. Oké, spiertjes. Als ik even goed aanvul met magnesium, dat ontspant spieren, kom ik er wel weer bovenop zonder al teveel gehijg. ‘Er is alleen nog een ding.’ Ze wees op het wc-rol-kartonnetje in het midden. Mooi roze, beetje bobbelig. ‘Dit zijn slijmvliezen. En die horen er zo uit te zien.’ Vervolgens draaide ze een zo’n wc-rolletje om en daarvan was het andere uiteinde lichtroze en niet hobbelig of dik. ‘Bij jou…’ ze draaide hem weer om. ‘Is naast het dichtknijpen van je bronchiën ook nog je slijmvlies ontstoken. Uit de test komt naar voren dat je longen 25% minder goed functioneren dan hoe ze normaal functioneren. Da’s best veel.’ Ze draaide haar computerscherm naar me toe. Grafieken verschenen, een blauwe lijn die hoger uitviel dan een rode lijn. ‘Hm,’ zei ik. ‘Nogal,’ zei zij.

‘Rook je?’ ‘Alleen als er iemand dood is,’ zei ik. Ze trok een wenkbrauw op. ‘Het begon met Theo, in 2005. Ik hoorde hoe hij om het leven kwam en het eerste wat ik deed was sigaretten kopen. Lucky Strikes, want de man waar ik toen van hield rookte die ook. En toen stak ik er eentje op. Zo hobbelde dat een beetje verder. Ik rookte niet over mijn longen, het ging puur om gehoor geven aan de behoefte iets te willen roken. Een momentje buiten te hebben. Maar toen kwam 2016. Lemmy. Bowie. Allan. Umberto. George Martin. Emerson. Cruijff. Merle. Cox. Prince. Muhammad Ali. Benoite. Toots. Gene Wilder.’ Ze schoof een doos tissues naar me toe. ‘Edward Albee. Neville Marriner! Marnix! De grote geitenbreier Frank Noya. Popov. Leonard Cohen. Leonard Cohen. Carrie Fisher. George Michael. Leonard Cohen… Bowie… Ik bietste shaggies bij mijn man, met wie ik dan zwijgend buiten op het bankje zat. Nog steeds niet over mijn longen. Misschien waren er wat gezellige vuurtjes afgelopen vijf jaar. Niet met hem. Met anderen. Als in, houtvuurtjes. En sterren. Hoe kom ik hier vanaf?’

Niet veel later stond ik buiten. Antibioticakuur en een puffertje die ik drie, vier keer per dag in moet nemen of als ik kortademig ben. Ik pakte mijn telefoon. Appte mijn collega’s. Beter één keer goed uitleggen, dan weten ze wat ik bedoel. ’Dames, dit wordt een LONG and winding verhaal.’ Ik maak dagelijks grapjes dat er whiskey in mijn thermos zit (altijd Earl Grey), daar kan best een mopje over roken bij. ‘Ga jij maar effe lekker paffen,’ zei mijn collega vandaag. We lachen er smakelijk om.

Maar ook: daar gaat mijn plan een pijprokende schrijver te worden. Shit.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *