De masterclass was mooi. Heb even mogen snuffelen in een tuin met bloemen die ik niet ken en kreeg zelfs wat zaadjes mee die ik BLAAA mooi beeldspraak allemaal.
Ding is, ik knijp mijn handjes samen dat ik ergens werk waar rondedansjes worden gedaan, waar met dozen op konten wordt geslagen en waar zonder weerwoord aan de planning wordt gerommeld als mijn schoolrooster verschuift. MAAR het heeft me ook doen realiseren dat ik buiten zijn mis. Niet alleen de fijne fietstochtjes van en naar het station. Dat ik kritisch moet gaan kijken naar een excuus om het huis uit te gaan en dan heb ik het niet over iedere ochtend een wandeling maken in het park bij mij in de buurt, want dat hou ik toch niet vol. Ik ben een schrijver. Ik begin de dag met schrijven, niet met wandelen. ‘Ga dan in het park schrijven.’ Kan niet. Ik heb rigide gewoontes. Heb een deadline.
Dit gezegd hebbende. Er is iets gebeurd. In mijn buurt. Sterker nog, naast mij. Als jij en ik NU in gesprek zouden zijn, zou ik je vragen dichterbij te komen zodat ik niet te hard hoef te praten. Zodat mijn buurman me niet hoort. Mijn buurman, je weet wel, die twee herders achter zijn huis houdt. Mijn buurman die twee volwassen herders houdt op een plaatsje dat misschien anderhalf keer zo groot is als mijn plaatsje en daar een hok heeft gebouwd waar die twee herders bij gebrek aan speelruimte steeds met hun ranke lijven tegenaan beuken. En blaffen. Bij iedere scheet die ik laat slaan ze aan. Bij iedere scheet die zij laten gebeurt er niets. Tot buurtbemiddeling aan toe heb ik geprobeerd die beesten en mezelf ruimte te geven. Jaren heb ik de raampjes van mijn douche en wc dichtgelaten om die overheersende geur maar niet teveel binnen te krijgen. Heb al jaren niet buiten gezeten, mijn plaatsje is een puinhoop van ‘dat komt nog wel een keer’ en ‘dat heeft nu toch geen zin.’ Ik zette er zelfs mijn fiets niet meer neer, omdat je fiets op je plaatsje stallen met je neus en je mond in je elleboogholte niet te doen is. Mijn fiets staat nu in de gang. Buurman en ik ontlopen elkaar.
En toch viel me iets op. Om wat voor reden dan ook had ik laatst een keer geen muziek aan en opeens: stilte. Buurman gaat soms weg met de honden. Hij zegt naar trainingen van de sterke arm van de wet, ik vermoed schimmigere zaakjes. Ik geloof niet dat de sterke arm haar trainingshonden zo laat behandelen. Dus ik dacht er niet teveel van, maar toch. Het viel op. Het voelde anders. Ontspannen. En vandaag, na de masterclass, waarin buiten zijn zo eruit sprong voor me, dacht ik, ik ga toch eens kijken hoe het is. In die puinhoop. En wat denk je? De puinhoop was er nog steeds, maar het stonk niet meer. Ik schonk een Earl Grey in, zette een krukje buiten. Ging op het krukje zitten. Een bij zweefde boven de puinhoop. Klimop liet zich zien. Wat knoppen in een plant waarvan ik nog steeds niet weet wat het is. In de verte kefte een keffertje. Een brommer pruttelde voorbij. De zon scheen. Meeuwen schreeuwden. Ik nam een slokje thee. Geen geblaf. Geen stank. Geen hondenpoep, geen hondenurine, geen zoete, chemische lucht van zeep die buurman één keer per week gebruikt om het beton in de kooi mee schoon te schrobben. Mijn wangen gloeiden.
De belangrijkste vraag die in de masterclass gesteld werd, was ‘wat WIL ik?’ En ik kon in alle tevredenheid zeggen dat ik op dat moment even niets anders hoefde dan gewoon op dat krukje zitten. Bij tevreden momenten horen lelijke selfies. Dus hier.
