Ik heb iets STOMS gedaan. Het is dat ik niet zonder handen kan tikken anders had ik dit geschreven met mijn kop begraven in mijn klauwen. Dit is het ding. Ik heb mezelf een half jaar gegeven om op adem te komen van te snel aan de slag gaan na de dood van Cees, van werken onder de bezielende leiding van een narcist, van halsoverkop door een studierichting tuimelen die me aan alle kanten doet/deed twijfelen aan mezelf. Een half jaar. Een half jaar niks. Theaterklusjes, coachklusjes en een passend vak daargelaten.
Wat ik niet had verwacht is dat die baan eind vorige week opeens voorbijkwam in de zoekmachines: oproepkracht in een bieb. Ik blies thee door mijn neus toen ik het zag. Binnen een kwartier had ik een keileuke brief opgesteld en mijn CV gepimped, met andere woorden, ik negeerde fluitend die ene eis waar een potentiële kandidaat aan moest voldoen: Namelijk dat je binnen een half uur in de betreffende bieb moet kunnen zijn, het was namelijk een vacature voor oproepkracht en ik woon totaal niet in die regio. Maar nooit geschoten en andere clichés.
Krijg ik me toch een keilieve mail terug van de mevrouw van HR. Dat ze mijn brief zo leuk vond, dat ze mijn enthousiasme waardeerde en of ze mijn gegevens door mocht geven aan de collega’s van regio’s bij mij in de buurt. Een droomreactie! Maar: ze had me eerder op de dag ook gebeld. En ik weet dat bellen soms meer op prijs wordt gesteld dan altijd maar het afstandelijke mailen. Een stem zegt meer dan getikte woorden, dus ik dacht, ik bel terug, want je weet maar nooit.
Nu moet je je het volgende voorstellen: ik ga zuchtend achterover zitten, zet mijn bril af en wrijf vermoeid in mijn ogen. En jij vraagt: ‘Oh shit… wat heb je gedaan?’ Ik durf het bijna niet te zeggen. Het heeft alles te maken met hoe leuk ik woorden vind. De betekenis van woorden, het ritme van woorden, de klank van woorden. Ik vind dat lekker. Als iets goed bekt, dan kan ik daar heel blij van woorden. En nu zet jij ook je bril af en je zakt ook achterover op je stoel, vermoeid wrijvend in je ogen.
Terwijl de telefoon overging, zag ik onderaan de mail de volledige naam van de aardige mevrouw van HR. En haar naam had een pracht van een metrum. Haar volledige naam. Shakespeare zou het zeker weten opgenomen hebben in een van zijn lichtere stukken. En als ik een mooi woord zie, dan moet ik die uitspreken. Daarom lees ik nooit in de stiltecoupé, want het is wel eens gebeurd dat ik mezelf opeens ‘lamskotelet’ hoorde zeggen. Of ‘penitentiaire inrichting.’ Of ‘pyroclastische wolk.’ Los van de betekenis vind ik dat fijne woorden. Zo vind ik de naam Trump ook lekker bekken, maar ja. Dat zijn dan van die dingen die je van jezelf leert: niet lezen in de stiltecoupé.
Ze nam op en zei haar naam. Voor zover ging het goed. Maar in plaats van dat ik ‘hallo met Gwen’ terugzei, zei ik met vol enthousiasme ‘HALLO <voornaam en achternaam>.’ Alsof het een merknaam was van een ding dat ik moest promoten aan een stug publiek. Het sloeg nergens op. De aarde scheurde open en verzwolg me met huid en haar. ‘Met Gwen,’ vervolgde ik in mijn vrije val, maar met geen mogelijkheid kon ik deze ravage binnen de perken houden. Ik probeerde er nog een draai aan te geven en de mevrouw van HR was heel aardig en enthousiast, maar oh… wat een manier om een fijne baan naar de maan te katapulteren. Katapulteren, ook zo’n lekker woord.
Schrijvende vrouw, wat heb je nou geleerd? Eerst drie keer rustig in- en uitademen voor je een potentiële werkgever terugbelt.