koffie

Bij ons om de hoek zat een koffietentje waar ze ook hartige en zoete broodjes verkopen. Nee wacht, het is voor mij niet langer ‘bij ons’ om de hoek, want per gisteren ben ik officieel geen onderdeel meer van ons. Om de hoek van mijn voormalige werkgever zit een koffietentje waar ze smoothies verkopen en ze beleggen ook verse broodjes. Er werken vriendelijke mensen die rond het middaguur een rij tot buiten hun winkel kundig wegwerken en na twee uur vrouwen in zwarte truien en groene schortjes voorzien van koffie. Iedere pil- en smeerwinkel wordt namelijk standaard met een Senseo geleverd om te voldoen aan de primaire behoefte, maar dat is net zoiets als zuurstof onttrekken aan een rokerscoupé in de jaren tachtig. Het blijft zuurstof en als er niks anders beschikbaar is, dan dat maar. Maar bij ons -ik bedoel bij hun– staat het ding te verkalken in de kelder, want: wij, ik bedoel zij hebben het koffietentje.
Het begon met een keer spontaan koffie halen bij Bol, ik noem ze gewoon bij naam, koeien en hoorns. Geen idee wie ermee begon, ik weet wel dat ik een van de eerste was die aan de hype van het dagelijkse bakkie meedeed. Ik weet ook niet wanneer we ermee begonnen zijn. Het begon gewoon op een dag dat we dachten, nou, we kunnen wel een bakkie troost gebruiken. Waarop iemand zei:
“Zal ik even naar het koffietentje om de hoek?”
Waarop gereageerd werd met: “Oh dat is een goed idee.”
“Hoe lust jij je koffie?”
“Doe mij maar zwart.” Of: “Cappuccino alsjeblieft.”
Zo begon de traditie. Van gewoon een keer koffie halen naar vrijwel dagelijks om de beurt het ommetje.

Afgelopen weken ben ik gaan letten op kleine dingen. Dingen die ik mee wil nemen, dingen die dierbaar zijn. Geen tastbare dingen, maar gekke ongrijpbare shit. Zoals collega B die altijd een torenhoog “WIIII” laat horen als ze iets van de glijbaan laat glijden. (We hebben een glijbaan van grof hout zodat we niet honderd keer de trap naar de kelder af hoeven en nee, die is niet geschikt om van af te glijden als mens, want splinters.) Of collega’s M en G die altijd op hetzelfde moment “OOOOOOOOH” roepen als ze iets doorhebben. Of -andere- collega M die een stevige stomp uitdeelt als je haar iets grappigs vertelt. De smakelijkste schater ter wereld van A. De uit het niets komende schunnige grappen van collega R. De stabiliteit van D. Je weet wel, dingen waar je eigenlijk van houd. En toen zag ik opeens hoe de traditie zich ontwikkeld had.
“Bol?” “Yup.”
Waarop het herbruikbare dienblaadje (groot genoeg voor vier bekers) tevoorschijn werd gehaald en natuurlijk de stempelkaart. Er werd niet meer gevraagd wát er gedronken wilde worden, er werd niet meer gevraagd of er überhaupt behoefte was aan koffie. Er is namelijk altijd behoefte aan koffie en misschien niet eens zozeer de koffie, maar wel aan het koffiemomentje. Even achter de toonbank met z’n allen (wat niet mag), even ouwehoeren over het leven, even dingen doorspreken, even (als er geen klanten zijn) zuchten over klanten. “Bol?” “Yup.”
De laatste paar keren dat ik naar kantoor liep voor suiker (ik heb suiker in mijn koffie), werd ik nageroepen dat het er al in zat. We weten van elkaar. B, M, schunnige R en ik drinken koffie met suiker. A met kokosmelk. Andere M en D zwart. Waarop standaard iemand zegt: “Als je ziel.” Ik heb het al honderd keer gehoord, ik moet er nog steeds om lachen.

Afgelopen donderdag was mijn laatste dag. Heb al mijn spaarkaarten opgesnord en ingezet. Hoefde niks te betalen, toch iedereen aan de koffie. Maar ik wist ook: na vandaag is het goed als de koffie-inname stopt. Inmiddels heb ik geleerd dat koffie histamine prikkelt en inderdaad, ik hoef maar een bakkie te drinken: ik begin binnen een kwartier te niezen. Plus de talloze gesprekken die ik met klanten heb gevoerd over hun koffie-inname.

Bijvoorbeeld de man die door zijn vrouw de winkel ingetrokken werd. Hij vertelde na haar aandringen dat hij de laatste tijd druk op zijn borst voelde. Dus ik stelde de vragen of hij er al lang last van had, of hij tintelingen ervaarde, duizelig was, medicijnen gebruikte. Dit alles terwijl ik deed alsof niet alle alarmbellen afgingen, het laatste wat zo iemand nodig heeft is een paniekerende verkoopster. Hij sliep ook slecht en voelde zich vaak gejaagd. Dus ik stelde de vraag die ik altijd stel als iemand niet kan slapen, niet af kan vallen, druk in zijn hoofd is of, in dit geval, een strakke borstkas had.
“Hoeveel koffie drinkt u eigenlijk op een dag?” Waarop zijn vrouw tussen haar tanden door “zeg het” siste en hij enigszins overvallen bekende dat hij op een stressvolle dag vijftien bakjes koffie dronk, maar -geruststellend- op een gewone dag maar tien.
“Niet van de Senseo,” vroeg ik.
”Nee, thuis èn op werk hebben we zo’n mooie bonenmachine. Daar komt héle lekkere, gitzwarte espresso uit.”

Nou die man heb ik heel voorzichtig maar met enige nadruk uitgelegd wat het effect is van één kopje koffie op de bloeddruk. Toen wat het effect is van een dagelijks kopje koffie op de bloeddruk en de darmen. Vervolgens, nog voorzichtiger, wat het effect is van twee tot vijf dagelijkse kopjes koffie op de bloeddruk, de darmen, de lever, de nieren en de hersens. Maar ook dat van de ene op de andere dag stoppen allerminst aan te raden is, want er is een afhankelijkheid opgetreden die niet onderschat moet worden. Mijn vreemde, dwingende ogen: hij ging volledig mee in wat ik zei en bleek rond de snoet verliet hij de winkel.
“Xei het toch.”

Vrijdag had ik niks te doen. Of nou ja, ik had genoeg te doen, maar ik mocht even niks. Bijkomen van de week. Ommetje door de stad, boodschappen doen in het centrum, anti-histaminepilletjes halen, want het is weer hooikoorts-seizoen. Uitslapen. Achterstallige was wegwerken, dat soort dingen. En me voorbereiden op, dat was wel een beetje gek, een dag een ander team te helpen verhuizen in een andere stad dan de onze. Hunne. Ik had me ervoor aangemeld, niet wetend dat ik zoveel overuren had staan dat ik afgelopen maand al uit dienst zou treden, dus mijn officiële laatste dag was niet in mijn eigen winkel.

M (van de zwarte koffie) en ik spraken op Eindhoven af om samen naar het zuiden af te zakken, maar het voelde gek. Misschien was het omdat het zo’n gekke laatste dag was, ik hoefde niet in mijn zwarte trui en groene schort, ik hoefde mijn haar niet netjes, geen ringen om, geen oorbellen in, want dat is allemaal niet handig als je verhuist. Misschien omdat ik al afscheid had genomen van mijn collega’s en ik toe ben aan een tijdje niet werken. Hoe dan ook, ik had al de hele ochtend lichte hoofdpijn. Misschien door de hooikoorts, daar kan ik moe van worden. Misschien door de spanning van eindelijk gaan doen wat ik het liefst zou doen… ach flikker op, ik wist dondersgoed dat het de koffie was. Afgelopen weken was er geen dag voorbij gegaan dat ik niet ergens een bakkie gedronken had. Vaak genoeg meer dan een bakkie. Een afspraak met een oude vriend, op werk, op school, Hemadate met een vriendin. Tik tik tik. Vrijdag hoefde ik niks, deed ik niks, maar gisteren… ik was gewoon chagrijnig! Wetend dat dat het effect is van koffie vond ik dat ik er doorheen moest beuken, er breekt immers een tijd aan van opperste concentratie en voor verhuizen hoefde ik niet de leukste thuis te zijn. Er moest gewoon gewerkt worden, klaar. Zonder koffie.

Maar op het moment dat M en ik elkaar troffen en we onze aansluiting checkten sprong alles op rood. Alles. Een aanrijding ergens tussen Daar en Daar. Er reed geen enkele trein. Overmacht. Ik checkte of er bussen reden: de eerst volgende bus zou pas over drie kwartier vertrekken en die deed er anderhalf uur over om te komen waar we moesten zijn. Dat was dus geen optie. Toen naar buiten, want daar was zon en daar konden we nadenken. Er waren ook taxichauffeurs. Misschien dat onze regiomanager akkoord ging met een taxiritje, dus wij vroegen wat de kosten waren maar de beste man begreep ons verkeerd en begon te onderhandelen en dat was niet wat we wilden. Vervolgens gaf hij ons een berekening waaruit bleek dat hij veel goedkoper was dan andere taxichauffeurs en -nogmaals- DAT WAS NIET WAT WE WILDEN WETEN! Waarop de taxichauffeur dacht dat we zijn werk niet voldoende waardeerden, terwijl we dat juist wèl deden, maar we moesten weten wat we mochten declareren bij de baas als we mochten declareren bij de baas. Chaos tot en met. M belde een eindje verderop met de regiomanager en de manager van de te verhuizen winkel, terwijl ik duidelijk probeerde te maken aan de chauffeur dat we niet wilden onderhandelen, we wilden gewoon een respectabele prijs betalen voor respectabel werk, maar op de een of andere manier was ik aan het verdedigen waarom ik vond dat hij en taxichauffeurs over het algemeen wel het volle pond betaald dienen te worden. Waarop hij dacht dat ik het tegenovergestelde bedoelde, leve taalbarrières. Ik stond op het punt mijn bril af te doen toen M terugkwam, nee schuddend. Regiomanager ging er niet mee akkoord. We besloten weer naar binnen te gaan, het werd me te heet buiten en ik was al chagrijnig.

Binnen was het gelukkig koeler. De hoge stationshal, de holle klanken en het gedicht van Mondriaan stelden me gerust. Als het niet de bedoeling was, dan was het niet de bedoeling. We begonnen al te verzinnen op welk terras we ons verdriet zouden verdrinken. Bovendien, het was de voorjaarsequinox, geen wonder dat er gekke dingen gebeurden en poef, alsof het nooit anders was geweest sprongen de beeldschermen van de treininformatie weer op blauw. Ze reden weer. Onze volgende trein zou een half uurtje later vertrekken, al met al kwamen we een half uurtje later aan dan gepland.
“Koffie?” vroegM.
“JAAAAA,” kreunde ik.

PS. Die schermen springen niet POEF op rood of op blauw hè, het betekent dat er ergens knijterhard gewerkt wordt om de puinhoop op het spoor op te ruimen, maar dit terzijde. <geeft stoere boks aan alle NS-medewerkers>

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *