Blaren hakken toeristen.

De weken na het vertrek uit de winkel waren gevuld met mensen zien. Ontmoetingen. Lunch met een collega van Cees, een vriendin die net verhuisd was. Met achterstallig onderhoud aan huishouden, de was, de douche die een grote beurt nodig had, gootsteentjes ontstoppen, dat soort dingen. Een keer achter de bank stofzuigen in plaats van niet stofzuigen. En vooral oefenen met op de bank zitten zonder telefoon, zonder iPad, zonder boek, zonder pen en papier. Met een kopje kruidenthee en meer niet en kijken of het lukt daar tevreden mee te zijn.

‘Keep in mind, it might get worse.’ Het was niet de eerste keer dat hij dat grapje maakte. De chiropractor is een Ier met een ondeugende twinkeling in zijn ogen, maar afgelopen week had hij een lichte frons. Nu werken voorlopig klaar is, zijn de sessies tijdelijk verhoogd, om de impact van het gemis van de collega’s en de structuur en wat er nog meer aan emotionele uitdagingen om de hoek komen kijken aan te kunnen. De schat had niets teveel gezegd.

Gisterochtend werd ik wakker als een hark. Niet fysiek, maar mentaal. Totaal ongezellig en onaardig, niets lukte. Er zat niks anders op: troostshoppen in de binnenstad, moest toch nog naar de bieb om huiswerk te maken en boodschappen te doen. Het mooie weer, de Sint Jan, de toeristen, de straatjes, ommetje rond de Draak, de winkeltjes, het zou vast en zeker helpen. Fake it ‘till you make it. Ik deed een beetje make-up op, trok laarsjes met een hak aan, deed armbandjes en fonkelende kettinkjes om, thermosje thee mee, boodschappenlijstje: let’s go.

Eerst lekker in de bieb zitten werken. Puntjes op de i gezet van mijn eerste uitgebreide essay, feedback van klas en docent verwerkt, gekozen voor een totaal andere opening; we hebben nog een paar lessen, dus nu kan er nog aangeklooid worden. Kom ik buiten… beweegt zich daar een stoet van de parkeergarage aan de Hekellaan, over het bruggetje naar het centrum. Geen bijzondere stoet, geen optocht of niks, maar een stoet van toeristen. Met een schok kwam het binnen: dit is een toeristische stad. En het is mooi weer. Dus dan komt alles en iedereen overal vandaan. En natuurlijk wil je dan naar mijn stadje toe, want mijn stadje is de mooiste, ik snap het volkomen. Alleen mijn werk is er altijd als het mooi weer is. Als het mooi weer is, is er een toonbank of een sokkel of ik loop ergens in een gek pakje kabaal te maken OF ik ben thuis, want wie gaat er nou boodschappen doen rond lunchtijd op zaterdag?
Weerstand is een mooi iets. Er komt later nog een verhaaltje over wat er aan weerstand-opwekkende dingen aan het ontstaan is (zo heb ik een bijbel gekocht), voor nu besloot ik er gewoon in mee te gaan. Zo gaan die dingen. En de chips was op en ik had zin in chips, dus kom op, ‘straighten that back but don’t be too harsh on yourself.’ Shut up, mompelde ik met opeengeklemde kaken en begon te lopen.

Het was druk in de stad. Druk. Het was markt en om de markt heen en tussen de kramen en wagens met draaiende kippen door stroomden rijen mensen. Met scootmobiels, met kinderwagens, met rollators. Figuren op fatbikes, een stelletje flyerende enthousiastelingen en op de een of andere manier, kwam alles binnen.
‘Keep in mind…’ Ja-ha. De dagen na een sessie met de Ier ben ik altijd gevoeliger. Bij ieder gewricht dat hij kraakt fladderen de herinneringen door mijn gedachten. Bij iedere sessie gaan de herinneringen ook steeds verder terug. Dat is moeilijk en mooi tegelijk, want nu heb ik er de tijd voor. Om dat allemaal te voelen. Boos te zijn, blij te zijn, verdrietig te zijn. Zonder met aan half oog naar de agenda te hoeven kijken. Het zitten op de bank is inderdaad niet alleen maar zitten op de bank, het is vooral een ‘oh ja toen.’ ‘It might get worse.’ Oké.

Koffie, kreunde mijn brein toen ik met lege handen de boekwinkel verliet. Linea recta naar de supermarkt, waar ik me realiseerde me dat ik honger had, besloot vervolgens eerst wat te eten bij de La Place, waar het ook steeds drukker werd, maar ik had zo behoefte aan een kopje soep en even zitten. Bij de Hema zou het wemelen van de jengelende kinderen, dat was ook geen optie, dus dan maar La Place voor soep en een bakkie troost. Waar de overige consumerende gezelschappen bestonden uit minstens twee en iedereen het leuk had. Dus na de soep en de capuccino (met overigens heel slap melkschuim) naar de supermarkt gesjokt, boodschappen gedaan, ontzettend staan hannesen met een winkelwagentje bij de zelfscan-kassa, want de mandjes waren op en toen ging ook nog de lamp aan van de steekproef… it might get worse. Er kwam een blaar, ik kon kiezen voor de rustige, maar lange weg naar huis of de korte, dwars door de massa… ik koos zure appels, citroenen en de korte route. Waar op drie kwart van de route een bestuurder dacht dat de stoep waar ik liep een goeie parkeerplek was en me nog net niet van mijn bloody sokken reed. Het tikken van mijn hakken klonk steeds luider.

En toen stond ik opeens in een tweedehands kledingwinkeltje. Zo eentje die alleen open is als ik werk. Kledingrekken aan weerszijden, in het midden een tafel waar twee vrouwen een flinke schapenvacht aan het vilten waren met gele flessen groene zeep en handen vol schuim. Meteen was ik in het kleine museum waar ik eerder werkte en onprettig, maar trots van ben weggelopen. In de buitenlucht, grapjes makend met mijn collega’s die ook aan het vilten waren. Hun stemmen, het gekeuvel van bezoekers, spelende kinderen op de achtergrond. Knisperende steentjes onder mijn voeten, de zon op mijn wangen. Het linnen op mijn huid. Het was slikken. Ik neusde wat tussen de jurkjes. De ene vrouw zei tegen de andere: ‘Ik heb het gevoel dat ik dit eerder gedaan heb. Alsof het…’ ze wreef kort met haar vingertoppen over haar hartstreek.

Schotse heuvels met kleine huisjes in de dalen, rieten daken, lange tafels met vrouwen in ruit, zingend, de wol met saponines vermengend, zingend. Iedere leeftijd. Kundige handen door de eeuwen heen. Ik zag vriendinnen in kostuum op klompen in Eindhoven en bevestigde het gevoel van de vrouw die open uitsprak wat ze dacht. Dat vilten, weven, jagen, voeden, muziek maken, verhalen vertellen bij ons hoort. Bij ons primaire brein, ik geloof dat echt. Dat zijn de dingen die ons laten overleven. We hebben duizenden, duizenden jaren niet anders gedaan. Er volgde een allerhartelijkst gesprek over niet meer mee kunnen komen in de maatschappij. Over voelen dat dit niet werkt, maar ook de zorg van wat dan wel? Ik vertelde ze van het museum, dat daar vrouwen zitten die dit nog in hun vingers hebben, dat oude. Die erover kunnen vertellen, die dat oude deel van ons wakker kunnen schudden. Ik zou verbindingen leggen en nog eens langskomen. Het was een totaal onverwachte verademing.

It might get worse. Tijdens het gesprek sloeg de vermoeidheid toe. We namen afscheid en ik vervolgde de weg naar huis. Maar dook vroegtijdig het sluippaadje af naar de rivier en ging een tijdje onder de brug zitten zitten. Kijken of dat lukte. Niks doen. Beetje naar het water kijken. Beetje met de ganzen praten. Beetje wel of niet huilen en beide oké vinden. Het komt wel. It might get worse. It will get better.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *