opgelucht

Luid bellend kwam hij de winkel in en liep, alsof hij wist waar hij zijn moest, naar achteren. Moet gezegd, de Arabische medemens heeft meer sjoege van de werking van honing, dus ‘achterin’ (waar de honing staat) is een geliefde plek voor gesprekken met de Arabaische medemens. Hij kwam dus bellend binnen en had halverwege al naar een collega geroepen die achter de kassa stond en dus gezellig terugriep, maar geen kant op kon. Of wilde.

Vervolgens liep hij door en daar, rapapam, trof hij mij. Die aan haar werkdag was begonnen met -voor de verandering- werkzaamheden aan het spoor, waardoor ze op de heenweg met de bus moest en op de terugweg ook. Wat ik helemaal niet erg vind, maar na de geplande en de ongeplande stakingen van de laatste en de hitte EN ik had nog steeds niks gehoord van school, was ik heel misschien niet mijn meest gezelligste zelf.
‘Hoest. Hoest,’ zei hij.
‘Goe,’ zei ik. ‘Miauw?’

Bovenstaand zal ik even vertalen voor niet-Brabanders:
’Hoe is het? Hoe is het?’
‘Goed,’ zei ik. ‘Met jou?’ Maar dat is niet wat hij bedoelde.

‘Hoest. Twaalf.’ Oooooooh. Iemand heeft twaalf keer gehoest. Nou dat kan best. Het kan meer, het kan minder. Als ik verkouden ben hoest ik meer dan twaalf. Als ik niet verkouden ben minder. Fijn, zo’n melding. Twaalf. Inderdaad. Ik begrijp het.
‘Wat vervelend,’ en ik maakte aanstalten om door te lopen met het doosje zeezout dat ik net uit het magazijn had gehaald. Vervolgens begon hij nog luider in zijn telefoon te praten en tegelijkertijd naar mij te gebaren dat ik iets moest. Nou vooruit dan.
‘Kind. Hoest. Twaalf.’ Goedendag mevrouw, ik heb een kind van twaalf dat loopt te hoesten, heeft u daar iets voor? Jazeker beste man, loopt u maar mee. Nee, ik kreeg de telefoon in handen geduwd. Nou vooruit dan maar.
‘Hallo?’ Zei ik.
‘…’ Niks. Stilte.
’Hallo?’ Zei ik nog een keer.
‘Hallo?’ Zei iemand aan de andere kant.
‘Hallo?’ Zei ik weer. Er van uitgaande dat als iemand iets wil vragen, dat iemand dan iets vraagt.
‘Hallo?’ Zei de ander.
‘Haaaallloooo…’ zei ik.
‘HALLO?’ Zei de ander.
’Hallo.’ Zei ik. Ik had van alles kunnen vragen. Ik had mezelf kunnen introduceren, ik had kunnen zeggen, hallo met Gwennepen, specialist op het gebied van schrijfperikelen. Ik had kunnen zeggen, goedemorgen, het Land van Ooit met freule Gwen. Ik had kunnen zeggen, met Gwen van <het bedrijf waar ik voor werk> maar aangezien ik zijn mobiel in handen geduwd kreeg met een reden, ging ik er een beetje van uit dat degene aan de andere kant van de lijn mij op de hoogte zou brengen van die reden. Maar aangezien er niet eens goedemorgen werd gezegd, had ik net dat moment niet echt heel veel zin om te investeren.
‘Hallo?’ Zei de ander.
‘Hier heb ik geen tijd voor,’ zuchtte ik. Ik gaf de telefoon terug, liep naar het vak van de weerstandproducten, ontweek de blik van mijn collega die natuurlijk de slappe lach aan het hebben was, pakte een fles hoestdrank die kinderen ook mogen hebben, vroeg of het kind medicijnen gebruikte, waarna de man de telefoon opnieuw in mijn gezicht duwde.
‘Hell no.’ Ik duwde de telefoon weg. ‘Ik praat met jou en niemand anders. Kind diabeet? Kind medicijn?’ Kind geen diabeet. Kind geen medicijn. Mooi. Hier. En nou wegwezen.

Op de terugweg moeten dealen met dagjesmensen die diep in hun ziel gekrenkt waren omdat ze een stuk met de bus moesten. En omdat ik blijkbaar een aanspreekbaar hoofd heb, zochten er een paar aansluiting bij mij.
‘Nou dat hadden ze ook wel wat eerder aan mogen geven, vindt u ook niet?’
’Nee hoor, dit was ruim tevoren aangegeven.’
‘Ik kom te laat voor mijn afspraak met huppeldepup, mopper mopper.’
’Ah, te laat van huis vertrokken dus.’ Ik pakte mijn boek en verdween.

Onderweg, terwijl de bus heerlijk door het Brabantse landschap reed, lichtte mijn telefoon op. Mijn docent. Great, ook dat nog. De beoordeling. Zijn naam lichtte op. Zijn naam bleef oplichten. Ik wilde hem niet wegdrukken, opnemen was ook geen optie. Dus ik keek tot mijn scherm donker werd en appte hoe laat ik thuis was. Koken en rustig eten incalculerend. Geen probleem, appte hij, hij zou om 8 uur terugbellen. Eenmaal thuis natuurlijk niet gekookt. Verdwaasd op de bank gezeten, the Office gekeken. Liever had ik hem helemaal niet gesproken. Liever had ik het gelaten voor wat het was en zonder gesprek opnieuw het tweede semester van het derde jaar aangegaan. Ben trots op wat ik gemaakt heb, maar dat het niet genoeg is wist ik allang. Achter de schermen speelde te veel, had behoorlijke zorgen over iets dat pas eind mei tot een oplossing kwam. En nu die oplossing er is, gaat het meteen stukken beter, maar dat was afgelopen semester nog niet zo. Grote-mensen-perikelen. Dus ik heb me er doorheen geslagen, ondanks het wringen privé en het wringen tijdens de lessen. De bergen huiswerk die hij opgaf, het me niet lekker voelen in de klas. Eigenlijk dacht ik, ik hoef jou niet te spreken, ik weet zo ook wel dat ik blijf zitten, maar dat is natuurlijk niet hoe het werkt. Als je inlevert, teken je voor een gesprek als dit.

Mijn telefoon lichtte opnieuw op. Kon nog net in de groepsapp met twee vriendinnen laten weten dat hij belde, er dook nog net een kaarsje op. Ik zuchtte en nam op. Woorden als ‘helaas’ en ‘jammer’ klonken. Als stroop lekte zijn medelijden door de speaker van mijn telefoon en ik kon mijn hoofd er op tijd van wegdraaien. Aan medelijden heb ik niks, het is totaal overbodig. Want ik baal er niet van. Ik baal van het wringen, niet van het blijven zitten. Van de werking van mijn brein en niet van mijn schrijfproces. Ik ben juist blij dat ik in september opnieuw wekelijks naar school mag en met een nieuwe docent een nieuw verhaal mag vormgeven. En ja ik ga gewoon weer historisch schrijven, want dat warme bad heb ik nu wel verdiend. En hoezo is dit slecht nieuws? Slecht nieuws is dat je te horen krijgt dat je man vol kanker zit en dat hij binnen een half uur geopereerd gaat worden en dat ze niet weten of hij het gaat overleven. Sindsdien is alles letterlijk peanuts. En nee, ik ben braaf geweest, ik heb de stok niet teruggegooid. Ik baalde er gewoon van dat hij na vijf maanden lesgeven aan mij zo’n kwetsbaar beeld van me had. Je kan niet met iedere docent klikken, je kan wel van iedere docent iets leren. En boy, heb ik geleerd afgelopen halve jaar.

Er kwam veel tot afronding. In juni was het een jaar en een dag na mijn ontslag uit het museum, ik ben gaan nadenken over wat ik daar meegemaakt heb, over wat ik met schrijven wil, ik ben überhaupt gaan nadenken over waar ik echt blij van word (boogschieten bijvoorbeeld) en nou ja, grote levenskwesties. Zeker na het afgelopen verhaal. En dat verhaal is nu klaar. Op naar het nieuwe jaar! Maar eerst mijn zolder opruimen, want ik krijg eindelijk zonnepanelen.

Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *