inleveren

Inmiddels is mijn geleuter over woorden en zinnen toch wel hèt bewijs dat schrijven meer is dan op een zolderkamertje op ganzenveren sabbelen, mag ik hopen? De opleiding die ik doe is meer een sportschool of een trainingslocatie van de literaire commando’s dan een ruimte waar je gewoon een beetje kan freewheelen. Freewheelen is de basis van ieder proces, maar zo aan het eind van het semester, met het grote inleveren hijgend in mijn nek, is er van freewheelen geen sprake meer.

Ik dacht dat ik goed bezig was. Ik dacht dat ik op schema lag, dat ik uit mijn verhaal gehaald heb wat er uit te halen is, maar oef… Toen donderdagochtend, de dag van de laatste les, de laatste feedback binnenkwam van mijn docent, zakte alles me in mijn schoenen. Het was veel. Hij had op heel veel dingen iets terechts aan te merken. Dingen die ik niet eerder zag, of niet kon zien, ik weet het verschil niet meer tussen die twee. Kleine, maar inhoudelijk zware dingen. Verslagen scrolde ik door het document, langs alle zinnen waar net iets venijnigs aan mankeerde. Tegelijkertijd realiseerde ik me: vrijdag had ik geen tijd om aan het verhaal te werken en zaterdagochtend zou ik de printer aan MOETEN zetten voor de laatste versie. Ik woog af. Als ik naar school zou gaan zou dat kostbare uren kosten en dus besloot ik thuis te blijven. De laatste les te missen, geen afscheid te kunnen nemen van mijn klasgenoten. Die overigens heel begripvol reageerden. Ik parkeerde hun lieve woorden en sloot me op op mijn zolderkamertje en begon te sabbelen.

Vanochtend zette ik de printer aan. Schoof voldoende papier in de la en drukte op print. Geen weg terug, als er spelfouten in zaten, in die toch weer nieuwe versie, dan was dat maar zo. Drie gelijke stapeltjes, nietjes erin en in een grote, gele enveloppe. Mijn naam erop. Het vak. Proza. Het jaar. Drie. Ik schoof de enveloppe in mijn tas, vulde mijn waterfles en fietste naar het station. Omdat ik de hele dag de tijd heb om in te leveren, hoefde ik niet te kijken naar welke trein ik moest nemen. Had alle tijd voor een kopje koffie en een broodje en eenmaal in Amsterdam had ik alle tijd om groeten uit Amsterdam-kaarten te kopen voor de meelezers. Het was druk in de stad. Overal, maar dan ook overal drommen toeristen. Die zich niets aantrokken van het rode stoplicht, die met een slakkengang midden op straat liepen, vaak ook rokend. En ik liep daar waardetransport te spelen. Mijn arm stevig over mijn tas geklemd, tussen al die slenterende, luid pratende mensen.

School was een oase. Er waren nog wat cursussen bezig, de borrel zou pas vanmiddag plaatsvinden. Stilletjes ging ik naar binnen, legde mijn enveloppe op de grote stapel in de leraarskamer. De binnentuin was open, het rumoer van de stad leek mijlenver. Ik zat er op een bankje, schreef wat kaarten, luisterde naar een les die ergens bovenin bezig was en merkte dat ik klaar was met alles. Met verplichtingen, met mee moeten komen en mensen an sich. Twijfelend aan alles en niet in de laatste plaats aan het gegeven of dit mijn vak wel is. Voor de tweede keer het tweede semester van het derde jaar gedaan en dit keer zie ik de afwijzing wel aankomen, dat ik het tweede semester van het derde jaar nog een keer moet doen. Aan de andere kant, ik weet heus wel dat ik op dit moment vooral last heb van het niet weten, niet van de afwijzing an sich. Wat de beslissing van de commissie ook gaat zijn, er is altijd iets moois uit te halen. Met een dubbel gevoel verliet ik stilletjes het pand aan de Herengracht en liet me meenemen in de stroom toeristen die richting het station stroomde.

Om vervolgens bij Zaltbommel eruit te moeten, want vrienden vierden hun 25-jarig huwelijk ergens in de polder waar het openbaar vervoer niet kwam. Leve de OV-fiets! En voor ik het wist reed ik door oude straatjes en steegjes van Zaltbommel om uiteindelijk op een langs dijk langs de Waal terecht te komen. Nog nooit geweest, maar wat was het mooi! Distels groeiden in riante bossen in de berm, kinderen speelden aan de oever en vervolgens waren er twee ontzettend lieve mensen die ontzettend blij waren me te zien. Met wie ik geen woord wisselde over literatuur, die geenszins iets aan te merken hadden op mijn zinnen, die me alleen maar het ene hapje na het andere voorschotelden. Wat een contrast. Wat een absurd contrast.

Na een paar uur gezellig doen was mijn batterij leeg. Ik nam afscheid. Een van de twee wees me een andere route terug naar de dijk. Langs een heel smal paadje met oude huisjes waar de meest weelderige rozen bloeiden. En toen realiseerde ik me, waar maak ik me in hemelsnaam druk om? Het zal die rozen aan hun reet roesten of mijn verhaal goed wordt gevonden of niet. Kijkend naar die rozen kon ik niets anders dan beseffen, uiteindelijk doet mijn verhaal er net zoveel toe als een roos. Dat iemand het leest en zegt, goh, wat mooi toch eigenlijk. En als ik zelf diegene ben die dat verhaal mooi vindt, dan is dat toch gewoon goed?

Thuis appte een vriendin met wie ik in het eerste jaar zat. Dezelfde die vorig jaar rond deze tijd tegen me zei, toen ik net de afwijzing binnen had, ‘mooi, dan kan je nu eindelijk jeugdliteratuur doen.’ We appten wat over afgewezen worden en de grond waarop dat gebeurt. ‘Het is maar school,’ zei ze. Oh ja. ‘Het zijn maar leraren.’ Oh ja. Een roos is een roos is een roos. Mijn verhaal is mijn verhaal is mijn verhaal. Morgen ga ik de nieuwe versie inpakken en verzendklaar maken. Gewoon in pdf, een simpel document. Maar ben er nu klaar voor om het te delen. Een roos blijft immers ook niet in zijn knop. Weg ermee. Als je ook wil lezen, wil je dan een mailtje sturen naar egelindetuin@hotmail.com? Dan komt ‘ie naar je toe.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *