Gisteren overkwam me waar ik al maanden naartoe werkte: ergens ging een deur dicht. Op wat minuscule dingetjes na was mijn verhaal zo ver gevorderd dat het klaar was voor de volgende cirkel. Ik werk namelijk met cirkels. In de eerste cirkel zitten mijn docent, mijn klasgenoten en één, bij hoge uitzondering twee vrienden die meelezen.
Waarvan ik weet dat ze eerlijk tegen me zijn als ze iets niet zien. Als je schrijft moet je af en toe uit kunnen zoomen, maar om ècht tot de kern van het verhaal te komen, moet je dieper gaan dan je ooit gegaan bent en probeer dan nog maar uit te zoomen. Dus leve de klasgenoten en de vrienden die het hele proces van dichtbij meemaken. Het aantal woorden zien opzwellen naar 12.000 en vervolgens terug zien zakken naar 10.000 en vervolgens naar 8.000, want dat is nu de omvang.
Op Insta volg ik meubelmakers en houtbewerkers en dat punt waarop alle hoeken, alle losse delen na talloze keren meten in elkaar schuiven en vallen, dat moment herken ik. Het is voelbaar als het klopt. Dat is ook het moment dat ik een stap achteruit moet zeggen en mijn verhaal doorgesluisd wordt naar de tweede cirkel. Daar zitten de collega’s, de taalnazi’s en intieme vrienden. Die krijgen het verhaal voorgeschoteld met de vraag: help me taalfoutjes zoeken. Ga met een luizenkam door het verhaal heen, wat je ook ziet, wat je ook voelt, laat het alsjeblieft weten! Want deze week lever ik in. Deze week print ik mijn verhaal in drievoud en lever het persoonlijk af op kantoor op school. Niet met de post, niet via mail. Met de hand. Thermos vol thee, een goed boek, oortjes in en naar Amsterdam. Mandarijntjes. Nog een keer die kant op.
Niet dat het voor het laatst is, in alle eerlijkheid denk ik dat ik het dit jaar weer niet ga redden. Geen idee waarom ik dat voel, maar ik voel dat nou eenmaal zo. Hoe goed mijn verhalen ook zijn, ik weet niet of ze voldoen aan de standaard van de commissie. Het mooie is wel dat ik dit jaar zo trots ben op wat ik gemaakt heb, dat wat de commissie te zeggen heeft me niet veel uitmaakt… aan de andere kant is dat misschien ook gewoon een mechanisme. Ik weet het niet. Hoe dan ook is het uit mijn handen. Vanuit de tweede cirkel komen inderdaad wat kleine dingetjes tevoorschijn, ik ben hier en daar een -en- vergeten mijn hemel, wat moet ik zonder die lui? Ze zijn ontroerd, eentje zei: ‘een rollercoaster in slow-mo’ en achteraf gezien is dat de bedoeling geweest. Moe knipte ik gisteravond de lampen in mijn woonkamer uit en ging naar bed. Een onrustige nacht volgde. Wat ik gedroomd heb, geen idee, maar mijn beddengoed was een rommeltje vanochtend.
Ben alleen iets vergeten te vertellen. De beste manier om te merken dat je verhaal af is… is als er zich een nieuw verhaal aandient. Ik was amper wakker, had mijn ogen nog niet eens open, lag nog wat uit te suffen van de rare droom of <plok>. Alsof iemand ver buiten mij met een vizier scherp stelde en zodra ik in de buurt van ontwaken kwam de trekker overhaalde. Fuck… was het eerste wat ik dacht. Ik was meteen klaarwakker. En met een verhaal bedoel ik ook echt: een thema, het aantal hoofdstukken EN de algehele opzet van het verhaal. De personages zijn nog niet helemaal helder, maar ik voel aan alles dat die zich vanzelf aandienen. Sterker nog, opeens is er een lange galerij met deuren aan weerszijden in mijn hoofd en achter al die deuren klinken wekkers en er gaan lampjes aan. Er klinkt gerommel.
Angstig bleef ik liggen. Angstig en klaarwakker. Ik had een afspraak met de Deense prinses dat zij het komende semester aan de beurt is. Of ik nou naar de vierde ga of nog een keer de derde moet doen. Ze is immers al twee semesters aan de kant geschoven. Ik lag letterlijk ‘nee, alsjeblieft’ kermend in bed. Niet weer een wild ander idee, ik hèb er al eentje in de wachtrij staan. Tussen deze en Dagmar in. En toch begon er een rad te draaien. Zoals een uurwerk in beweging komt. Klik. Als je hiermee begint, kan je in het volgende deel dit. Klik. Daar haal je vervolgens dit uit en klik. En als die twee staan, dan is de volgende een logisch gevolg. Beelden. Klik. Een fabriek in de jaren ‘70. Klik. Een schip in de Gouden Eeuw. Klik. Iemand maalt cacaobonen. Klik. Een boom met grote bladeren. Hitte. Iemand doet een snufje zout in een vers bereidde beker coco. Klik.
Ze gaat op de rand van mijn bed zitten. Het lullige is, als je oog in oog staat met een vorst of een vorstin, dan mag je niet als eerste spreken. Je moet wachten tot de vorst jou aanspreekt. Dus ik hield mijn bakkes en zij liet me lijden met een grijns om haar lippen.
‘Nou?’
‘Sorry,’ mompel ik. Ze kijkt begripvol, zelfvoldaan. Ze vindt het heerlijk als ze gelijk heeft. Ik bedoel, meestal vindt ze het heerlijk. Dat maakte haar zo on-Russisch. Daarom was ze zo’n frisse wind aan het hof in St. Petersburg.
‘Ik ben in 1928 overleden. Dus volgens mij heb je nog even. Als jouw verhaal over mij in 2027 af is, is het vroeg zat. Eerst dit. Beloof me dat je me niet vergeet.’
‘Je bent al ruim vijftien jaar iedere dag bij me, hoe zou ik dat ooit kunnen? Je zit in me.’
Ze stond, schikte haar rokken en rechtte haar rug. ‘Aan de slag, kameraad.’ Ik knikte. Ze verdween.
Je begrijpt dat ik, toen ik deze twee ‘dates met boeken’ vanavond bij de Bruna op het station zag, ik ze onmogelijk kon laten liggen. Deze week inleveren, afwachten wat de uitslag is en als ik dat weet, gaat dit verhaal in de verkoop. Nu eerst een rustige nacht draaien. Welterusten!
