terug naar start (1)

Het duurde even voor ik op deze plek over school kon schrijven, maar het is zover. Ik zit dus in de derde, voor de tweede keer. Vorig semester bleef ik zitten, al houden ze op school niet van die term, want je verliest niet, eigenlijk win je er nog een jaar goede begeleiding mee, maar toch voelde het als zodanig.

Ik besloot extra afstand te nemen van ‘proza’ en koos een semester ‘jeugdliteratuur’. Om maar weer dat jeugdige te vinden wat ik een beetje verloren was en ja, waardoor ik dus ook struikelde. Het was niet echt een verbazing toen de juf van jeugdliteratuur me op mijn vingers tikte bij een zoveelste historisch werkje en me niet te zachtzinnig uitnodigde dicht bij mezelf te blijven. Januari begon ik met lichte kost: schrijven over het uitstrooien van mijn moeder in de IJssel bij Westervoort, waar ik opgroeide.

Alsof dat nog niet genoeg uitdaging was, besloot ik ook het schrijfproces an sich anders aan te pakken dan vorige semesters. Normaal (alsof deze opleiding normaal is) begin je aan een semester met een synopsis (een introductie, een samenvatting tot dan toe) en naar mate de maanden vorderen, groeit je verhaal. Je kan dan onder de vleugels van je docent en je klasgenoten je verhaal vormgeven, uitdiepen en je personages laten groeien. Ik begon met een verhaal met een kop, een romp en een staart. Ik wilde beleven hoe het is om echt de diepte in te gaan. Met een verhaal waarin ik dicht bij mezelf blijf, understatement. Waarbij ik het meest persoonlijke, pijnlijke, kwetsbare deel van mijn leven op papier ging zetten, nee goed idee.

Leve mijn theaterervaring dat de twee personages, de twee vrouwen waarvan de ene op mij gebaseerd is, de andere op een vriendin die toevallig net zo oud is als mijn moeder, vrij snel los kwamen te staan. Tijdens het schrijven werd er opeens om een asbak gevraagd en een van de twee bleek doof als een kwartel. De vrouw die ik moest voorstellen legde een somberheid bloot en een sarcasme die ik alleen maar bewonder in anderen. Toch gingen ze samen naar Westervoort. Mijn vriendin en ik. En die twee vrouwen. Het was een versmelten en losweken, een versmelten en losweken. Wat van wat echt gebeurd is neem ik mee, wat van wat echt gebeurd is laat ik onbeschreven? En: wat van wat niet echt gebeurd is, maar waar ik wel aan gedacht heb (bijvoorbeeld: mijn moeder met urn en al van de brug kieperen) stop ik erin? Wat is echt? Wat is niet echt?

Wat wel echt is, is dat ik, de ik die dit schrijft, toen, op de uitstrooidag, iets nadrukkelijk niet deed. En verdomme, dat kwam boven water in het verhaal. En als klasgenoten na een paar lessen iets nog steeds niet lezen, dan gaan ze op een gegeven moment vragen stellen. ‘Gaat de hoofdpersoon dat nog doen of hoe zit dat?’ ‘Volgens mij ligt de ontknoping van dit verhaal helemaal niet op die brug, maar ligt de oplossing in die wijk.’ En met die wijk bedoelen ze de Mosterdhof, dames en heren. Uit de grond gestampt in de jaren ‘70, ook wel bloemkoolwijk genoemd vanwege de roosvormige indeling van het geheel. Je begrijpt dat ik bij bloemkoolwijk niet meteen aan rozen denk, maar aan een grote pan op het vuur, mijn moeder met beslagen brillenglazen en een geur die onhebbelijke oerklanken onttrekt. No thank you. Ik woonde er tot mijn vierde en heb er amper tot geen herinneringen aan en dus deed het er niet toe. De olifant in het lokaal werd groter en groter.

Komende week valt er een gat in mijn agenda. Precies een dag voor de wekelijkse deadline dat we een stukkie in moeten leveren. In eerste instantie moest ik werken, maar een collega kwam niet aan haar uren en ik zat er al overheen, dus ik werd er zonder pardon afgekieperd. Een vriendin wilde die dag afspreken, maar ze besloot een spontane stedentrip te plannen voor haar en haar nieuwe lief, dus ik zag met lede ogen toe hoe alles in het werk werd gezet om de vraag van mijn klasgenoten te beantwoorden. Ik moest erheen. De olifant verschoof zich richting mijn borstkas. Ongemakkelijk bekeek ik treintijden, in de hoop op versperringen of te vroege blaadjes op het spoor of hevige sneeuwval. Niets van dat al. Het is april. April werd een knoop in mijn strot waarvan ik me steeds voorhield dat ook dit schrijven is. Schrijven is niet leuk, schrijven is kut, begin er niet aan.

<ping> Het was de vriendin met wie ik mijn moeder uitstrooide. Ik zat net op Google Maps te kijken of dat speeltuintje er nog was. Ze had een technische vraag over tekst, ik kon niet goed ‘zien’ wat ze bedoelde. Ze had ook liever dat we er samen even voor gingen zitten, of ik niet toevallig Die Dag kon. Die dag? Die dag? Juist… Mijn hoofdpersoon moet in haar uppie de Mosterdhof in, ikke niet. Ik moet er wel in, maar ik hoef het niet alleen te doen. Blijkbaar. Het gaat erom dat ik de galm van mijn schoenen in een steeg tussen twee huizen precies beschrijf. ‘Dan houd ik mijn klep wel effe.’ Het speeltuintje achter het huis. ‘OMG SCHOMMELEN!’ Dat ik zie dat de rode roos er niet meer staat. Of misschien juist wel. Nee vast niet. De enge hond van de buren. ‘Ik zal brokjes meenemen.’ Ik moet beschrijven dat ik het nu niet weet, dat ik het me afvraag en dat ik het straks wel weet. Ik vroeg of ze meeging. ‘Duh.’

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *