Jas.

Beeld je een glazen kom in, ingezeept met Dreft en mij in het midden, spartelend om omhoog te komen, zo voelde school afgelopen maanden. Met zo’n tekenfilm-muziekje eronder van Wile E. Coyote als hij te ver doorgesjeesd is en een poging doet vaste grond onder zijn poten te krijgen, maaiend met zijn coyotepoten. Gevolgd door de ongemakkelijke stilte, zijn blik in de camera en ja hoor een vallend rotsblok of een afgaande bom. Beep beep. Waar ik eerder jaren moedig spartelde om omhoog te komen, werden de wanden gladder en mijn werk onleesbaarderder. Kreeg zelfs feedback van een eerlijke lezer, dat mijn schrijven veranderde tijdens school. D*mn woman, wat kan een mens zichzelf lang iets moois voorhouden.

En dus zit ik nu in een skipak op de bank. Sterker nog, ik zit in een wijnrood skipak op de bank. Dit is het ding, mijn prachtige, zwarte wollen mantel is aan het vergaan. Die ene mooie klokkende jas, die. Waarin ik me zo ontzettend schrijver voel, al is het maar om de versleten voering en de gaten in de rug die afdwingen dat ik a l t i j d een rugzak draag. Niet omdat ik zoveel met me meesjouw, maar omdat ik me schaam en ik heb ‘em al twee keer naar de kleermaker in Orthen gebracht.

Ik deelde niets van wat ik schreef. Alleen klasgenoten en docenten kregen onder ogen wat ik maakte en in het eindstadium misschien een vriendin, maar doorgaans wilde ik niet dat er ook maar iets online kwam te staan. Achteraf kan je daar van alles achter zoeken, wat ik nu dus ook doe, al bloggend en delend. Delen, verbinding maken, ik denk gewoon dat dat het mooiste is van mens-zijn. Of van leven an sich, beestjes en plantjes verbinden zich immers ook. Waarom deed ik dat niet?

Dus appte ik vanochtend een van mijn oudste vrienden dat ik een winterjas zou gaan kopen.
‘Oei, dat is een Ding voor jou.’ Ik was vergeten dat hij op zijn beurt wist dat mijn moeder -als ik haar uitnodigde voor een middagje winkelen- altijd zei: ‘Als we maar geen winterjas gaan kopen.’ Een grapje dat vast voortkwam uit kinderdrama of puberdrama, wat ik me niet kan heugen, weet dus ook niet waar het op gestoeld is, maar wat dus wel een Ding werd.
‘Stuur me een foto tijdens het passen,’ appte hij.

En toen ging het balletje rollen. Van een afstandje keek hij mee, dus ik kon dit proces niet afraffelen. Ik moest met iets goeds komen, wat goed ook in godsnaam betekent. Er zijn twee outdoor-winkels in de stad, de ene is een grote naam -het knaagdier- en de andere een tweedehands winkel. Van mezelf moest ik eerst naar die tweedehands winkel om te kijken wat er op de markt is, wat voor kleur ik wil, welk materiaal, wel geen capuchon, andere merken. Warenonderzoek. Als ik daar was geweest mocht ik van mezelf naar het knaagdier om binnen een kwartier een jas te kopen die a, duur is en b, vooral praktisch is en niet persé mijn ogen laat fonkelen. Want als je daar ook nog naar moet zoeken, dan kan je zoeken tot het voorjaar en tegen die tijd heb je geen winterjas meer nodig. Ik kon het niet maken met zoiets aan te komen kakken, er keek er eentje mee. Moedig wandelde ik de stad in, deze klus zou ik met aandacht klaren.

In de tweedehands winkel in de Vughterstraat naast de Albert Heijn was het rustig. Ze waren nog maar net open, als in letterlijk drie weken pas. De zaterdag post-Sinterklaas-pre-kerst-stress moest nog op gang komen, ik was op tijd. De boel hing op kleur, dat oogde rustig, er stond fijne muziek op, nergens schreeuwende reclames van merken die je gelukkig maken en dingen die ik moest lezen, gewoon rekken met kleren punt. En nog een vriendelijk hallo bij binnenkomst ook.
‘Hé Meindl, je bent een liefhebber,’ zei de eigenaar. Hij had het over mijn schoenen. Oehlala, een vakidioot. Als ik ergens op aanga is het op vakidioten. ‘Je moet ze wel even invetten zie ik, anders verlies je waterdichtheid.’ Hoe wist hij dat ik vorige week nog natte sokken had? Shit. Ik kwam voor een jas, maar voor ik het wist werd er een partij wandelschoenen tevoorschijn getoverd die hij eigenlijk niet meer verkocht, maar nog wel had liggen en wat is je maat eigenlijk? Wil je koffie? Ik heb dus maat 8 en koffie op en nieuwe schoenen. En een skipak. Want met het schoenen passen hielp hij fantastisch en bij het jas zoeken liet hij me op mijn dooie akkertje op mijn sokken door de winkel slenteren. Ik wist niet dat ik dat nodig heb. Slenteren. Van het ene rek naar de andere, voelen, kijken, overwegen. Winterjassen van tegenwoordig lijken over het algemeen opgeblazen vuilniszakken, dat vind ik zo niet mooi. Andere mensen kunnen ze heel goed hebben, maar ik heb altijd de neiging om in zo’n jas te prikken met iets scherps of aan een touwtje te trekken. Gewoon om te zien of ze als een leeglopende ballon door de ruimte zwieren of opblazen tot opblaasboot.

Tussen al dat puf en glans hing een wijnrode jas. Niet te lang, want ik moet ermee kunnen fietsen. Bestand tegen stevige kou, want ik wil meer wandelen de komende tijd. En hij had een randje pels rond de capuchon wat me deed denken aan de hoes van Paul Simons album Paul Simon die ik nu voor het gemak ook maar opzet.
‘Mag ik deze passen?’ ‘Tuurlijk!’
Onwennig tilde ik de jas van het rek. Hij was onverwacht zwaar. Er kwam een broek onder vandaan. Dit was het moment waarop mama er iets van zou vinden, waarop iets mis zou kunnen gaan, want wat moet ik met zo’n pak, maar jas en broek horen bij elkaar dus nou ja. Achterin de winkel, achter wat rekken, trok ik eerst de jas aan, die zat heerlijk. Hij had van die hand-insteek-dingen waardoor je mouwen niet terugtrekken naar je polsen, waar ik nog wel eens last van heb met mijn lange armen. Het wijnrood sloot mooi om me heen en voelde warm. Toen toch ook maar die broek en oh, daaronder hingen ook nog een thermo-truitje en een vest. Allemaal wijnrood. Van zacht, soepel materiaal. Hoog aaibaarheidsgehalte.
‘Het is allemaal één prijs,’ kwam de jongeman nog even vertellen, maar ik wist het al. Ik stuurde een foto naar de kritische vriend. ‘Yup,’ reageerde hij.

Op de terugweg, lopend met twee grote tassen vol skipak en een schoenendoos onder mijn arm mijmerde ik een eind weg. Vorig jaar rond deze tijd kreeg ik van de juf jeugdliteratuur het beste advies dat ik misschien wel ooit gekregen heb, wist alleen niet hoe het moest. Ze zei: ‘Jij moet dicht bij jezelf blijven.’ Dus ik ging eigen verhalen opschrijven, eigen ervaringen in een prozaïsche jas en gleed met opgewekt gemoed kont-eerst in een glazen kom met Dreft langs de randen en nu hang ik geplet tegen een andere rots of sta ik geblakerd als een verbrandde lucifer te koekeloeren, jij mag kiezen. Zo gaan die dingen, zou Cees zeggen. Dicht bij mezelf blijven, is de conclusie tot nu toe, zit niet aan de binnenkant, dicht bij mezelf blijven is in verbinding blijven met de mooie buitenkant. In januari begin ik aan het vak essay en ik ga een warme winter tegemoet.

En OH! Ga maar naar Tweedehands Outdoorkleding & Skikleding in de Vughterstraat. Ze hebben alles en ze zijn lief.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *