Het trapgat of nou ja, het gat in het plafond waar de smalle vlizo inhing was zo smal dat ik heel even twijfelde of het onderstel van moeder’s antieke, massief eikenhouten kast er wel doorheen paste, maar toen realiseerde ik me, die is er óp gekomen, op zolder, dus dan kan hij er ook weer van af. Ik stond erbij en keek ernaar. Op de heenweg had ik me vreselijk kwaad gemaakt om alle zooi waar de dooien (met name moeders, want die “verzamelde”) me mee opzadelden en eenmaal kwaad kan ik prima tillen. Maar het gevaarte de vlizo af was een ander verhaal. Er was daarboven niet echt iets waar ik me aan vast kon houden.
Zou ik de kast dan toch maar houden en bewaren voor als ik een keer ergens ga wonen waar hij wel past? En dan helemaal strippen en opnieuw beschilderen? Moet ik wel eerst plek hebben waar ik dat kan doen. En het spul hebben om dat mee te kunnen doen. En de tijd. En de zin. Ik beklom de trap. Minuscule gaatjes wemelden door het hout en de toplaag van de deurtjes was gaan bladderen. ‘Dag mam,’ tree voor smalle tree, plank voor klamme plank lukte het me de kast naar beneden te krijgen en bij de uit elkaar geschroefde tafel te zetten.
Hoe meer ik herstel, hoe meer ik het hele proces overzie. Er zijn verschillende fases te onderscheiden. Fase 1: de oh-het-gaat-nog-wel-fase. 2: de ehhhh-oeh-nu-wordt-het-lastig-fase. 3: what-the-fuck-fase. 4: plafond-dyclofenac-fase. 5: dirty-dancing-tennisbalfase. 6: de waar-waren-we-gebleven-fase, daar zit ik nu in. Drie weken geleden het erop gewaagd een tweede afspraak te maken met de gemeente (de eerste viel in fase 3, dat was geen goed idee) en zo bracht ik gisteren de hele dag door met erfenis-Tetris. Van bovenaf zwaar eiken naar benden hengelen zonder ook maar iets kapot te maken, zowel in- als uitwendig. Nou weet ik gelukkig hoe ik moet tillen (daarom was ik zo pissed dat ík het nota bene aan mijn rug kreeg), dus het ging.
Vanochtend liep ik om zes uur in alle stilte met al die zooi af en aan naar de straatkant. In mijn straat kunnen geen auto’s komen, herstel, mogen geen auto’s komen. Soms jast er wel eens een aso zijn witte cabrio langs alle voortenten, maar dat zijn uitzonderingen. Over het algemeen rijdt hier niets dan fatbikes en ook die zijn een uitzondering nu overal immense zwembaden staan opgesteld. Het probleem is, ik kan niet zien of ze eraan komen, de mensen van de stort. Dus ik kan ook niet zien of ondertussen andere mensen hun zooi bij mijn zooi zetten, En als de mensen van de stort komen en ze beginnen in het wildeweg in te laden, dan betaal ik voor de zooi van mijn buurtgenoten en daar zit ik niet op te wachten. Bovendien ligt er flink wat zooi, want mijn buurtgenoten zijn niet van die aard dat ze afval IN de ondergrondse doen, laat staan scheiden. Ik denk dat ik letterlijk de enige ben die gebruik maakt van die ene ondergrondse papiercontainer. Dus om de tien minuten wandel ik even naar de straatkant om te kijken.
Had ik net geluk: ik wierp een blik (in de tas van de petflessen, want op blikjes zit statiegeld) en de vuilniswagen kwam net de hoek om. Mooi, het zat mee. Ik wuifde, wachtte tot de wagen stilstond en… er sijpelde vocht uit de laadbak. Waarom ruikt uit vuilniswagens sijpelend vocht altijd zoet, vraag ik me af zonder daar echt antwoord op te willen. Er zaten knoppen aan de zijkant. Kut, dacht ik, dat is de vuilniswagen voor de ondergrondse containers, niet die van het grof vuil. Ik had weg kunnen lopen, maar ik dacht, ik wacht die meneer even op en vraag het gewoon. Het eerste wat die man zei was:
‘Dat kan toch allemaal niet, moet je zien wat een rotzooi.’
‘Inderdaad!’ zei ik enigszins in de war. Bedoelde hij nou de vuilniszakken die er al lagen of mama’s kast?
‘Dat flikkert het hier allemaal maar neer, dat kutvolk hiero.’ Er knapte iets. Iets kleins, maar venijnigs.
‘Echt hè?’
‘Ja, godverdomme kijk nou wat een teringzooi.’ Half 9 ‘s ochtends. Hij bedoelde mama’s kast.
‘Weet u welk kutvolk dat hier neergezet heeft?’ Hij keek me verward aan.
‘Ik. Ik ben dat kutvolk. Tadaa. Dit hier is allemaal de kutzooi van mijn dooie moeder en daar heb ik uw collega’s van het grof vuil voor gebeld en ik heb netjes een afspraak gemaakt en nu maakt u mij uit voor kutvolk.’
De man verschoot van kleur. Hij had een vriendelijke kop en ik weet dondersgoed hoe lastig het is om mensen te motiveren hun omgeving netjes te houden. Dat vuilnismannen de redding zijn van iedere stad, ik weet het. En het is hopeloos in mijn wijk; ondanks dat het over het algemeen dakdekkers zijn, timmeren ze niet zo hoog als het gaat over oog laat staan zorg voor hun omgeving. Maar ik zat er niet op te wachten de schuld te krijgen van dingen waar ik niks aan kan doen.
‘Maar dan zet u het toch gewoon voor huis neer en niet hier aan de straatkant.’
‘HOE moet uw collega van grof vuil bij mijn huis komen!?’ Ik wees naar mijn straatje. Paaltjes, zwembaden en drie lijsterbessen.
‘Dan had u het dáár neer moeten zetten,’ probeerde hij nog, maar hij wist dat hij het aan het verliezen was en dat hij eigenlijk gewoon zijn aardige zelf kon zijn, want ik was eigenlijk ook gewoon mijn eigen aardige zelf.
‘Dat heeft niemand me verteld, ik dacht dat dit voor uw collega’s het handigst zou zijn.’
‘Sorry,’ zei hij.
‘Ik ook. Het is een mooi wijkje. Jammer van de mensen.’ We begrepen elkaar. We verplaatsten mama’s kastonderdelen zodat hij er met zijn grijparm bij kon. Vocht sijpelde uit de laadbak. Het nieuwe wachten begon, wanneer zouden de collega’s van het grof vuil komen?
Gelukkig is het maandagochtend. De mensen die hier een baan hebben vertrekken rond 7 uur zo niet eerder, die heb ik vanochtend al begroet. Alle andere mensen zitten voor het huis te roken en op hun telefoons te kijken, kinderen hangen voor enorme televisieschermen, dus het is tamelijk rustig. Met het raam open kan ik horen of er iets zwaars de straat in rijdt en amper een uurtje later: ja hoor, een zware motor trok zichzelf over de drempels. Snel griste ik sleutels, bril en portemonnee en rende naar buiten. Waar de vrachtwagen net de hoek om verdween. Shit. Die waren natuurlijk op zoek naar mijn huis, maar daar kan je helemaal niet komen. Ik hoorde de wagen een stukje rijden, even dacht ik, die rijdt achteruit terug, maar dat was niet. Hij reed door. De andere straat, linksaf, oh, dacht ik, die komt naar het plein aan de linkerkant. Maar ik stond aan de kant van het water, rechts, met al mijn zooi. Toen dacht ik, wat als ze me bellen om te vragen hoe ze bij me moeten komen? Ik had mijn telefoon niet bij me, shit. Dus ik rende terug en werd tegemoet gelopen door een kleine, potige vent in een fluorescerend hesje die door kon gaan voor een van Tolkiens dwergen. NIet alleen zijn lengte, maar ook zijn vriendelijkheid had iets Dwergs. Ik wees waar ze moesten zijn en terwijl zij met de wagen mijn kant op kwamen, zette ik mama’s kastdelen op een grijpbare plek.
De bodem. De poten. De top van de kast. De lades. Mijn eetkamertafel die alleen maar een plek werd waar ik zooi op neerlegde om later nog iets mee te doen. Tafelpoten. Mama’s luxe stoel. Plantenbakken. Alles ging met een flinke worp de laadbak in. De dwerg keek me aan.
‘Zo, lekker opruimen of nie?’
‘Heerlijk,’ zei ik ‘het is een erfenis, dus dit frist wel op ja.’
‘Ah,’ zei hij. Hij duwde me de knoppendoos in handen, ik keek hem vragend aan. Hij knikte naar de laadbak.
’Toe maar,’ zei hij. Ik ging achter de laadbak staan en drukte op de knop. Het voelde als vijf minuten gratis winkelen bij Heinen. Een groot, zwaar, ijzeren ding kwam naar beneden en drukte wat er in lag tot gort. Hout splinterde, poten braken, een algeheel scheuren klonk. Er bleef niets van over. Van mama’s kast. Waar ze haar Marjolein Bastin-servies in bewaarde en waar we nooit van aten. Waar ik me in verstopte als het moeilijk werd thuis, maar waar het zo benauwd was, want onderin bewaarde ze alle lappen stof waar ze nog een keer iets mee zou gaan doen. Een vriendin van haar drukte me op mijn hart die kast te bewaren, omdat hij zo belangrijk was voor mijn moeder, maar wat is het nut van iets bewaren van iemand die van haar lang zal ze leven niets meer heeft aan een kast. Ik had zelfs geen urn meer om in te zetten. Hij nam alleen maar heel veel plek in.
‘Lekker hè?’ zei het felle hesje. ik knikte blij. Ja. Heerlijk dit.
De mannen van het vuil konden tussen half 9 en half 5 komen. Om kwart over 9 trok ik de voordeur achter me dicht. En nu? Ik keek om me heen. Naar mijn lege woonkamer. Mijn harp heeft nu meer plek, ik heb meer ruimte om te dansen. Ik deed een dansje, maar het ging niet van harte. Ben toch een beetje stijf. Een subtiel dansje dan maar. Ik was te onrustig om te lezen, de stad in gaan is ook geen optie, want alle winkels gaan toch pas laat open. Mijn telefoon ging. Het was M., van de winkel. Of ik in plaats van woensdag, zin had om vandaag al naar de winkel te komen. Er was vracht en ze waren met te weinig mensen en ze misten me.
Ik kon niet helemaal onder woorden brengen hoe fijn dat was. ‘Graag,’ zei ik ‘ik kom eraan.’

Wow, briljant. Wat een voldoening om dit alleen al te lezen!